De zaak in het kort
In deze zaak speelt de verdeling van een woning die gezamenlijk eigendom is van twee voormalige partners, [partij A] en [partij B]. Na het beëindigen van hun affectieve relatie blijven zij gezamenlijk eigenaar van het appartement dat zij eind 2019 hebben gekocht. Partij B woont nog steeds in het appartement, terwijl partij A er al in mei 2020 vertrokken is. Het dispuut draait om de verdeling van de overwaarde van de woning, de vraag of partij B een gebruiksvergoeding moet betalen aan partij A, en of partij A moet bijdragen aan kosten die partij B heeft gemaakt voor het appartement.
Het verloop van het proces en de feiten
Partijen zijn in december 2019 gezamenlijk eigenaar geworden van het appartement, dat ze kochten voor €175.000,- met een hypothecaire geldlening van €165.000,-. In maart 2020 eindigde hun relatie en vanaf mei 2020 woont partij A niet meer in de woning. Er is een conflict ontstaan over de wijze waarop de woning moet worden verdeeld, omdat partijen het niet eens kunnen worden over de overname of verkoop, en de daaraan gerelateerde financiële vergoedingen.
Partij A heeft de rechtbank verzocht om de woning toe te delen aan partij B, onder voorwaarden dat hij de hypothecaire lening aflost en partij A schadeloos stelt voor de overwaarde. Indien partij B dat niet binnen een bepaalde termijn kan realiseren, moet de woning aan een derde worden verkocht.
Partij B heeft op zijn beurt een tegenvordering ingediend, waarin hij verzoekt dat partij A de helft van de vaste lasten van de woning vanaf december 2019 vergoedt, en dat er rekening wordt gehouden met door hem gemaakte kosten bij de verdeling van de overwaarde.
De beslissing van de rechtbank.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de woning moet worden verdeeld, met inachtneming van de vergoedingsrechten van beide partijen. De rechtbank bepaalt dat partij B de woning mag overnemen als hij binnen drie maanden na de taxatie aantoont dat hij in staat is de eigendom volledig te verkrijgen en de overbedelingsvordering aan partij A te betalen, en partij A te ontslaan uit hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek. Lukt dat niet, dan moet de woning worden verkocht aan een derde.
De woning zal opnieuw worden getaxeerd door een makelaar, omdat de eerdere taxatie uit 2024 is verouderd. Bij de verdeling moet rekening worden gehouden met vergoedingsrechten van partij B, waaronder de helft van de meer afgeloste hypotheekschuld en een bedrag in verband met een lening bij ING.
De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de gebruiksvergoeding die partij A van partij B vordert gelijk moet zijn aan de helft van de eigenaarslasten die partij B heeft betaald. Er is geoordeeld dat partijen stilzwijgend afspraken hebben gemaakt waarbij partij A partij B in de gelegenheid stelde om in de woning te blijven wonen zonder dat daar een gebruiksvergoeding tegenover zou staan, zolang partij B de vaste lasten betaalde.
Partij B’s vorderingen voor vergoeding van gebruikerslasten en renovatiekosten zijn afgewezen, omdat onvoldoende is aangetoond dat deze kosten als gezamenlijk gedragen moeten worden. De rechtbank compenseert de proceskosten tussen partijen, zodat elke partij de eigen kosten draagt.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




