De zaak in het kort
In deze civiele rechtszaak eist de koper van een woning, [eiser], schadevergoeding van ING Bank N.V. (verder: ING) voor schade aan de woning die zou zijn ontstaan tussen de gunning en de levering na een executieveiling. [eiser] beweert dat verschillende lades uit het ingebouwde meubilair ontbraken en dat een zoutwateraquarium was beschadigd. De schade wordt geschat op € 668.000,-. ING betwist de aansprakelijkheid, omdat de woning volgens hen “as is, where is” is verkocht en er onvoldoende bewijs is dat de schade voor de levering is ontstaan.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begint met de dagvaarding van 24 juni 2025, gevolgd door een conclusie van antwoord van ING. Er vindt een mondelinge behandeling plaats op 13 november 2025. De rechtbank moet beslissen of de schade aan de woning is ontstaan tussen de gunning op 30 januari 2025 en de levering op 20 februari 2025, en of ING hiervoor aansprakelijk is.
ING verkoopt de woning via een online executieveiling waarbij de woning wordt aangeboden onder de Bijzondere Veilingvoorwaarden die bepalen dat de koper de woning accepteert in de staat waarin deze zich bevindt (“as is, where is”). De Algemene Voorwaarden Voor Executieverkopen 2017 zijn ook van toepassing en vermelden dat de verkoper niet verantwoordelijk is voor schade nadat het risico op de koper is overgegaan bij levering.
[eiser] betoogt dat de schade na de koop is ontstaan maar voor de levering en baseert zich op verklaringen van getuigen die de woning op 8 februari 2025 hebben bekeken. ING voert aan dat de woning inclusief eventuele schade “as is” is overgedragen en dat er geen bewijs is geleverd dat de schade voor de levering is ontstaan. Bovendien zou een deel van de schade betrekking hebben op roerende zaken, die niet onder de veilingvoorwaarden vallen.
De beslissing van de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat het risico van schade op de dag van levering, 20 februari 2025, van ING naar [eiser] is overgegaan. De bewijslast ligt bij [eiser] om aan te tonen dat de schade tussen de koop en de levering is ontstaan en dat ING hiervoor verantwoordelijk is. De rechtbank concludeert dat [eiser] onvoldoende bewijs heeft geleverd voor zijn stellingen. De getuigenverklaringen zijn niet voldoende onderbouwd, en er is geen overtuigend bewijs gepresenteerd dat de schade op een eerder moment dan de levering is ontstaan. Bovendien heeft [eiser] niet tijdig melding gemaakt van de schade vóór de levering, wat volgens de toepasselijke voorwaarden wel vereist was.
[eiser] beroept zich ook op een vermeende zorgplicht van ING en op redelijkheid en billijkheid, maar de rechtbank vindt dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd waar deze zorgplicht uit zou bestaan. Ook op basis van redelijkheid en billijkheid komt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
Als gevolg hiervan worden de vorderingen van [eiser] afgewezen en wordt hij veroordeeld tot betaling van de proceskosten van ING, die in totaal € 14.043,00 bedragen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat het direct ten uitvoer kan worden gelegd, ook als er hoger beroep wordt aangetekend.
De rechtbank heeft hiermee bepaald dat ING niet aansprakelijk is voor de gestelde schade aan de woning, en [eiser] draait op voor de kosten van de procedure. De uitspraak benadrukt het belang van duidelijke bewijsvoering en tijdige melding van schade bij executieveilingen waar “as is, where is” voorwaarden gelden.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




