De zaak in het kort
De zaak betreft een geschil tussen appartementseigenaren, [verzoekers], en de vereniging van eigenaren (VvE) van een appartementencomplex over een besluit om de lift van het complex te renoveren. De renovatie werd goedgekeurd tijdens een algemene ledenvergadering van de VvE met 28 van de 52 stemmen. [verzoekers] voerden aan dat het besluit nietig was omdat het niet voldeed aan de vereiste gekwalificeerde meerderheid en dat er een gebrek was in de besluitvorming, aangezien er geen meerdere offertes voor de renovatie waren opgevraagd. De kantonrechter wees zowel het beroep op nietigheid als de vernietiging van het besluit af. Ook werden de tegenverzoeken van [belanghebbende 3], een andere belanghebbende in de zaak, niet ontvankelijk verklaard omdat deze geen verband hielden met het oorspronkelijke verzoek.
Het verloop van het proces en de feiten
Het proces begon met een verzoekschrift van [verzoekers], gevolgd door verweerschriften van de VvE en de andere belanghebbenden. [verzoekers] zijn eigenaren van meerdere appartementen in het complex en van rechtswege lid van de VvE. Het conflict ontstond na een VvE-vergadering op 2 december 2024, waarin werd besloten de lift te renoveren voor een bedrag van € 24.145,00 exclusief btw, gebaseerd op een offerte van Lift Service Totaal (LST). De vergadering vond plaats met 47 van de 52 stemmen aanwezig en het besluit werd genomen met 28 stemmen voor en 19 tegen.
De [verzoekers] stelden dat de renovatie als een uitgave buiten het reguliere onderhoud viel en dat hiervoor een 2/3 meerderheid vereist was, wat niet werd gehaald. Zij hadden zelf een goedkopere offerte opgevraagd bij LST, die volgens hen had kunnen volstaan voor de benodigde werkzaamheden. De VvE verdedigde zich door te stellen dat het om onderhoud ging, waarvoor een gewone meerderheid volstond. Bovendien was er sprake van spoedeisende werkzaamheden gezien de afhankelijkheid van de lift door oudere bewoners.
De beslissing van de rechtbank
De kantonrechter beoordeelde de zaak op basis van de ingediende stukken en de mondelinge behandeling op 10 juni 2025. Het beroep op nietigheid werd afgewezen omdat de rechter oordeelde dat de renovatie als onderhoud kon worden beschouwd, waarvoor de gebruikelijke meerderheid volstond. De kantonrechter vond dat de VvE terecht had besloten op basis van de offerte van LST, die in lijn was met het meerjarenonderhoudsplan (MJOP) van 2025, waarin de vervanging van de liftbesturing was opgenomen. De VvE had gehandeld binnen de regels van het Modelreglement dat van toepassing was op het complex.
Wat betreft het beroep op vernietiging wegens een gebrek bij de besluitvorming, oordeelde de kantonrechter dat [verzoekers] hun bewering dat er meerdere offertes moesten worden opgevraagd onvoldoende hadden onderbouwd. Het bestaande contract met LST en de mogelijkheid van storingen aan de lift rechtvaardigden dat er voor deze aanbieder werd gekozen zonder verdere offertes.
De tegenverzoeken van [belanghebbende 3] werden niet ontvankelijk verklaard omdat deze geen verband hielden met het besluit over de lift en een ander geschil betroffen. Wat betreft de proceskosten besloot de kantonrechter dat deze door beide partijen zelf gedragen moesten worden, gezien de aard van het geschil.
In het slot van de uitspraak bevestigde de kantonrechter dat zowel de verzoeken als de tegenverzoeken werden afgewezen en dat de proceskosten in die zin werden gecompenseerd dat elke partij haar eigen kosten droeg. Hiermee werd de uitspraak openbaar uitgesproken op 12 augustus 2025.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




