De zaak in het kort
In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag zich gebogen over een verzoek tot voorlopige voorzieningen in het kader van een familierechtelijke kwestie. Het betreft een geschil tussen een vrouw en een man, die beide ouders zijn van twee minderjarige kinderen. De vrouw heeft onder meer verzocht om het exclusieve gebruik van de echtelijke woning, de toevertrouwing van de kinderen aan haar en de vaststelling van voorlopige kinderalimentatie. De man heeft op enkele punten ingestemd met de verzoeken van de vrouw, maar er waren ook punten van verweer. De rechtbank heeft uiteindelijk een beslissing genomen die de verzoeken van de vrouw grotendeels toewijst.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure is gestart met een verzoek van de vrouw op 17 december 2025. De rechtbank heeft kennis genomen van verschillende stukken, waaronder het verzoekschrift van de vrouw, het verweerschrift van de man, en diverse aanvullende stukken van beide partijen. Op 16 januari 2026 vond een zitting plaats waarbij zowel de vrouw als de man, elk bijgestaan door hun advocaten, aanwezig waren. De Raad voor de Kinderbescherming was eveneens vertegenwoordigd op de zitting.
De partijen zijn sinds 2008 gehuwd en hebben samen twee kinderen. De vrouw en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit, terwijl de man de Turkse nationaliteit heeft. De vrouw woont met de kinderen in de echtelijke woning, terwijl de man deze in maart 2025 heeft verlaten. De vrouw heeft verzocht om de kinderen aan haar toe te vertrouwen en om het exclusieve gebruik van de echtelijke woning. Tevens heeft zij verzocht om een maandelijkse kinderalimentatie van € 750,- per kind en een partneralimentatie van € 500,- voor zichzelf. De man heeft ingestemd met de verzoeken omtrent de kinderen en de woning, maar heeft bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de alimentatieverzoeken.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank heeft geoordeeld dat zij bevoegd is om in deze zaak uitspraak te doen en past Nederlands recht toe. De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw om het exclusieve gebruik van de echtelijke woning toegewezen, aangezien de man reeds had ingestemd met dit verzoek. De vrouw mag de woning blijven gebruiken en de man mag deze niet betreden.
Ten aanzien van de toevertrouwing van de kinderen heeft de rechtbank vastgesteld dat de zorg voornamelijk bij de vrouw ligt. Omdat de man hiermee instemde, heeft de rechtbank besloten de kinderen voorlopig aan de vrouw toe te vertrouwen.
Wat betreft de zorgregeling heeft de man zijn oorspronkelijke verzoek ingetrokken en was de vrouw eveneens akkoord met het voorlopig voortzetten van de bestaande regeling. Hierdoor hoefde de rechtbank geen beslissing te nemen over een specifieke zorgregeling.
De rechtbank heeft zich ook gebogen over de voorlopige kinderalimentatie. De vrouw had haar verzoek verlaagd naar € 471,- per kind per maand. Bij de vaststelling van de alimentatie heeft de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie als leidraad genomen. De rechtbank heeft het netto besteedbaar inkomen van beide partijen berekend. Voor de man werd dit vastgesteld op € 3.156,- per maand, terwijl het inkomen van de vrouw werd berekend op € 1.789,- per maand. Beide bedragen werden verkregen door rekening te houden met diverse fiscale en persoonlijke lasten.
De gezamenlijke draagkracht van beide ouders werd berekend, maar bleek onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien. Er was een tekort van € 1.024,- per maand. Gezien het beperkte contact tussen de man en de kinderen, werd een zorgkorting van 5% toegepast. Echter, vanwege het tekort verviel deze zorgkorting en moesten beide ouders bijdragen naar rato van hun draagkracht. Uiteindelijk werd de man verplicht om een maandelijkse bijdrage van € 200,- aan kinderalimentatie te betalen voor beide kinderen samen.
Ten aanzien van de partneralimentatie heeft de vrouw haar verzoek op de zitting ingetrokken, waardoor de rechtbank hier geen beslissing over hoefde te maken.
De rechtbank heeft de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de overige verzoeken afgewezen. De uitspraak werd gedaan door mr. C. Witteman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op 30 januari 2026.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



