De zaak in het kort
In deze zaak vordert de eiser, de eigenaar van een pand, de nakoming van een koopovereenkomst door de gedaagden, die aanvankelijk instemden met de aankoop van het pand. De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam moet beslissen of er een rechtsgeldige koopovereenkomst tot stand is gekomen. De belangrijkste vraag is of aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is voldaan, wat een voorwaarde is voor de rechtsgeldigheid van een koopovereenkomst voor onroerend goed. De rechter oordeelt dat dit niet het geval is en wijst de vordering af.
Het verloop van het proces en de feiten
De eiser is eigenaar van twee appartementsrechten met een gecombineerde woon-werkbestemming. Op 28 augustus 2025 biedt hij het pand te koop aan op Funda en ontvangt op 3 september 2025 een bod van de gedaagden via WhatsApp. De gedaagden, die eerder de bedrijfsruimte in het pand huurden, bieden de vraagprijs van ⬠699.000 zonder financieringsvoorbehoud. Op 16 september 2025 wordt het bod door de makelaar van de eiser formeel aanvaard.
Echter, er rijzen problemen doordat er geen overeenstemming is over de leveringsdatum en andere details van de koopovereenkomst. Een conceptkoopakte wordt op 23 september 2025 door de notaris verstuurd, maar de exacte leveringsdatum wordt pas op 13 oktober 2025 vastgesteld. Een tweede conceptkoopakte volgt, waarbij de gedaagden het pand via hun vennootschap [bedrijf] B.V. willen kopen, wat tot verwarring leidt.
De gedaagden weigeren uiteindelijk het pand af te nemen, omdat er onzekerheden zijn over de woonbestemming van het pand en toestemming van de Vereniging van Eigenaren (VvE) voor een dakopbouw ontbreekt. De eiser eist in kort geding nakoming van de koopovereenkomst en betaling van een vertragingsvergoeding, met een dwangsom bij niet-nakoming.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank beoordeelt of er een geldige koopovereenkomst is gesloten. Artikel 7:2 BW vereist dat een koopovereenkomst voor een tot bewoning bestemde onroerende zaak schriftelijk wordt vastgelegd. De eiser stelt dat dit niet van toepassing is omdat de gedaagden het pand niet als consument-kopers zouden hebben gekocht, maar als belegging via hun vennootschap.
De voorzieningenrechter concludeert dat de gedaagden wel degelijk als consument-kopers kunnen worden beschouwd, omdat het pand een woonbestemming heeft en bedoeld is voor bewoning door de (schoon)moeder van de gedaagden. Het schriftelijkheidsvereiste is daarom van toepassing. Aangezien de koopovereenkomst niet schriftelijk is vastgelegd, kan deze niet worden afgedwongen.
De eis van de eiser wordt afgewezen omdat niet is voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:2 BW. Ook de vertragingsvergoeding wordt afgewezen, omdat deze samenhangt met de niet-bestaande koopovereenkomst. De eiser wordt veroordeeld tot het betalen van de proceskosten van de gedaagden, begroot op ⬠2.780.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




