De zaak in het kort
De rechtbank Amsterdam heeft in een kort geding uitspraak gedaan over een geschil tussen een verkoper van een woning, [eiser], en de vermeende kopers, [gedaagden]. [eiser] vorderde nakoming van een koopovereenkomst voor een pand dat hij via Funda te koop had aangeboden. De koopovereenkomst was volgens [eiser] mondeling tot stand gekomen. De voorzieningenrechter wees de vordering af, omdat niet was voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:2 van het Burgerlijk Wetboek (BW), dat vereist dat de koop van een tot bewoning bestemde onroerende zaak schriftelijk wordt vastgelegd.
Het verloop van het proces en de feiten
Op 28 augustus 2025 bood [eiser] een pand met een gecombineerde woon-werkbestemming te koop aan op Funda. Enkele dagen later, op 3 september 2025, boden [gedaagden] via WhatsApp de vraagprijs aan, wat zij ook formeel bij de makelaar van [eiser] bevestigden. Hoewel er geen bezichtiging had plaatsgevonden, kenden [gedaagden] het pand uit de tijd dat hun bedrijf, [bedrijf] B.V., het bedrijfsdeel van het pand huurde.
Op 16 september 2025 accepteerde [eiser] het bod. Er was echter nog geen formele koopakte getekend, en de details over de leveringsdatum waren nog niet concreet vastgelegd. Later werd overeenstemming bereikt dat de levering zou plaatsvinden op 3 januari 2026, waarbij [gedaagden] akkoord gingen met een vertragingsvergoeding.
Op 14 oktober 2025 werd een tweede concept koopakte opgesteld, waarin [bedrijf] B.V. als koper werd vermeld in plaats van [gedaagden] persoonlijk. [gedaagden] weigerden uiteindelijk de woning af te nemen, omdat het pand niet volledig als woonruimte kon worden gebruikt en er geen zekerheid was over toestemming voor een dakopbouw van de Vereniging van Eigenaren (VvE).
De beslissing van de rechtbank
De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen perfecte koopovereenkomst was ontstaan tussen [eiser] en [gedaagden] vanwege het ontbreken van een schriftelijke overeenkomst, zoals vereist door artikel 7:2 BW. Dit artikel biedt bescherming aan consument-kopers, en de rechter stelde vast dat deze bescherming ook van toepassing was op [gedaagden], die als natuurlijke personen handelden en het pand voor privédoeleinden wilden aanschaffen, namelijk voor de huisvesting van hun (schoon)moeder.
De rechter benadrukte dat het schriftelijkheidsvereiste ook geldt voor de aankoop van tweede woningen of woningen voor familieleden, waardoor [gedaagden] als consument-kopers werden beschouwd. Aangezien de koopovereenkomst niet schriftelijk was vastgelegd, werd de vordering van [eiser] afgewezen. De rechter concludeerde dat de door [eiser] gevraagde voorzieningen niet konden worden verleend en veroordeelde [eiser] tot betaling van de proceskosten van [gedaagden], die werden begroot op € 2.780,00.
Deze uitspraak onderstreept het belang van het schriftelijkheidsvereiste bij de koop van onroerend goed en de bescherming die de wet biedt aan consument-kopers, zelfs in gevallen waar de koop mogelijk als zakelijk kan worden aangemerkt. De zaak illustreert dat mondelinge afspraken zonder schriftelijke vastlegging niet voldoende zijn om een koopovereenkomst juridisch afdwingbaar te maken.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




