De zaak in het kort
De rechtbank Amsterdam heeft in een zaak tussen een tweetal verzoekers en hun vereniging van eigenaren (VvE) geoordeeld over diverse verzoeken van de verzoekers met betrekking tot besluitvorming binnen hun VvE. De verzoeken, die onder andere betrekking hadden op de nietigheid van besluiten over het gebruik van gemeenschappelijke ruimtes en de verdeling van onderhoudskosten, werden door de rechtbank afgewezen. De kantonrechter oordeelde dat de verzoeken niet voldeden aan de juridische vereisten voor nietigheid of vernietiging en dat artikel 5:121 van het Burgerlijk Wetboek niet bedoeld is voor interne besluitvorming binnen een VvE.
Het verloop van het proces en de feiten
De zaak ontstond vanuit een geschil tussen de verzoekers, die eigenaren zijn van een appartement in een pand dat gesplitst is in vier appartementsrechten, en de gezamenlijke VvE. De verzoekers waren het niet eens met bepaalde besluiten die genomen waren door de VvE, met name besluiten omtrent het gebruik van de gemeenschappelijke zolderruimte en de verdeling van onderhoudskosten voor de gevel van het pand.
De zolderruimte van het pand bestaat uit drie zolderkamers en een gemeenschappelijke ruimte die alleen bereikbaar is via een trappenhuis dat leidt naar drie van de vier appartementen. Het appartement van de verzoekers heeft een eigen voordeur en maakt geen gebruik van dit trappenhuis. Er ontstond een conflict toen de eigenaren van de andere appartementen een deel van de gemeenschappelijke zolderruimte exclusief in gebruik namen, wat volgens de verzoekers in strijd was met de splitsingsakte.
Tijdens vergaderingen van de VvE in februari en juni 2025 stonden verschillende punten op de agenda die door de verzoekers waren aangevochten. Dit omvatte onder andere besluiten over het gebruik van de gemeenschappelijke zolderruimte, de verdeling van kosten voor gevelonderhoud, en toegang tot het dak van het pand. De verzoekers claimden dat deze besluiten onrechtmatig waren, omdat ze in strijd zouden zijn met redelijkheid en billijkheid, evenals de splitsingsakte.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank oordeelde dat de verzoeken van de verzoekers niet konden worden gehonoreerd. Met betrekking tot de vergadering van 27 februari 2025 stelde de rechtbank dat de besluiten die tijdens deze digitale vergadering genomen waren niet rechtsgeldig waren en daarom geen juridische gevolgen hadden. Hierdoor was er geen belang om deze besluiten nog nietig te verklaren of te vernietigen.
Ten aanzien van de zolderruimte oordeelde de rechtbank dat het verzoek om het besluit van de VvE te vernietigen niet kon worden toegewezen, omdat de weigering om een stemming over het gebruik van de zolder op de agenda te plaatsen geen besluit was in de zin van artikel 2:15 BW. De rechtbank stelde verder dat de verzochte vervangende machtiging voor handhavend optreden tegen de individuele eigenaren niet mogelijk was onder artikel 5:121 BW, aangezien dit artikel niet bedoeld is voor interne besluitvorming van de VvE.
Voor wat betreft het gevelonderhoud oordeelde de rechtbank dat het besluit van de VvE om de kosten van de gevelonderhoud volgens de breukdelen te verdelen, in overeenstemming was met de splitsingsakte. Het feit dat de verzoekers eerder zelf kosten hadden gemaakt voor gevelonderhoud aan hun eigen appartement, zonder dat daarover afspraken waren gemaakt met andere eigenaren, speelde hierin geen rol.
Het verzoek van de verzoekers om toegang tot het dak te verkrijgen door middel van een sleutel werd door de rechtbank eveneens afgewezen. De weigering van de VvE om een sleutel te verstrekken was geen besluit in de zin van artikel 2:15 BW en kon daarom niet vernietigd worden.
Tot slot oordeelde de rechtbank dat de begroting zoals vastgesteld in de vergadering van 30 juni 2025 redelijk was en dat er geen reden was om die te vernietigen. De rechtbank benadrukte dat het gebruikelijk is dat begrotingen gedurende het jaar worden aangepast op basis van voortschrijdend inzicht.
In het licht van deze overwegingen besloot de rechtbank om alle verzoeken van de verzoekers af te wijzen en veroordeelde hen in de proceskosten, met een bedrag van €648, te betalen aan de VvE. Deze beslissing werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de verzoekers de kosten moeten betalen ongeacht of zij in hoger beroep gaan.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




