De zaak in het kort
Eisers, een groep van 64 projectontwikkelaars en kopers, hebben overeenkomsten gesloten met aannemersbedrijf Van der Worp voor de realisatie van een bedrijfsverzamelgebouw. Het project is ernstig vertraagd, en er is onenigheid over de oorzaak van deze vertraging. Daarnaast is er een geschil over de betaling voor meerwerk dat in rekening is gebracht door Van der Worp. Eisers eisen toegang tot de bouwplaats om de voortgang en kwaliteit te controleren en willen dat Van der Worp de bouw uiterlijk op 1 juni 2026 oplevert, onder dreiging van een dwangsom. Verder willen zij dat verschuldigde kortingen vanwege de overschrijding van de bouwtijd worden verrekend met de reguliere termijnbetalingen, of dat deze betalingen worden opgeschort. Er wordt ook geƫist dat Van der Worp haar retentierecht niet langer uitoefent.
Van der Worp verzet zich tegen alle eisen, maar de voorzieningenrechter geeft de eisers in sommige vorderingen gelijk. Toegang tot de bouwplaats wordt onder voorwaarden verleend, en Van der Worp moet inzage geven in bepaalde documenten. De rechter staat ook toe dat kopers een deel van hun betalingsverplichtingen opschorten.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een dagvaarding op 9 februari 2026. Er zijn diverse stukken overlegd en er is een mondelinge behandeling geweest op 17 februari 2026. Tijdens deze mondelinge behandeling gaven enkele eisers aan hun vorderingen in te trekken, en werd de zaak tijdelijk aangehouden voor een mogelijke schikking. Na het mislukken van deze schikking, werd vonnis gevraagd.
De projectontwikkelaar HBC had in juni 2023 een overeenkomst gesloten met Van der Worp voor de bouw van een bedrijfsgebouw in Haarlem. Dit gebouw bestaat uit meerdere verdiepingen met 126 zelfstandige bedrijfsunits. Het gebouw is onderverdeeld in appartementsrechten met een VVE als overkoepelende vereniging. HBC heeft 85 units verkocht aan derden en zal de overige units verhuren. De kopers hebben rechtstreeks aannemingsovereenkomsten met Van der Worp voor hun units. Volgens de overeenkomsten moest het project binnen een bepaalde tijd worden opgeleverd, maar deze termijn is overschreden.
Tijdens de bouw zijn er problemen ontstaan, zoals vertragingen door weersomstandigheden en problemen met onderaannemers. Van der Worp heeft de projectontwikkelaar aansprakelijk gesteld voor deze vertragingen en heeft een retentierecht uitgeoefend op de units van HBC vanwege niet-betaalde facturen voor meerwerk.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank heeft besloten dat Van der Worp de toegang aan de aangewezen delegatie van HBC moet toestaan voor inspectie van de voortgang en kwaliteit van het werk. Dit moet gebeuren onder begeleiding van veiligheidsinstructies, en bij overtreding kan een dwangsom van maximaal ⬠100.000,00 worden opgelegd.
De eis om het werk uiterlijk op 1 juni 2026 op te leveren onder dreiging van een dwangsom is afgewezen. De rechtbank oordeelt dat er onvoldoende bewijs is dat de vertragingen volledig aan Van der Worp te wijten zijn en dat een extra financiƫle prikkel niet nodig is gezien de reeds bestaande contractuele boetes voor vertraging.
De eisers mogen hun betalingsverplichtingen opschorten tot bepaalde bedragen totdat zij overeenstemming met Van der Worp hebben bereikt over de korting wegens vertraging, of totdat de rechtbank in een bodemprocedure hierover heeft beslist.
Van der Worp moet ook afschriften verstrekken van bepaalde documenten, zoals offertes, facturen, en weekrapporten, maar hoeft geen betalingsbewijzen of gedetailleerde urenoverzichten te verstrekken. De vordering om het retentierecht op te heffen is afgewezen, omdat er nog geen eenduidigheid is over de financiƫle verplichtingen van HBC richting Van der Worp.
Elke partij moet haar eigen proceskosten dragen, gezien het feit dat beide partijen deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




