De zaak in het kort
De rechtbank Midden-Nederland heeft op 2 maart 2026 een uitspraak gedaan in een zaak waarin een eiser bezwaar maakte tegen een tijdelijk huisverbod van tien dagen dat door de burgemeester van Baarn was opgelegd. Het huisverbod was het gevolg van ernstige en herhaaldelijke hinder die door de eiser werd veroorzaakt. De rechter verklaarde het beroep van de eiser ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af, waardoor het huisverbod van kracht bleef.
Het verloop van het proces en de feiten
De eiser, die sinds 2020 in een kleinschalig appartementencomplex woont, veroorzaakte ernstige overlast in de buurt, wat leidde tot een sfeer van angst en onveiligheid. Ondanks pogingen van de gemeente om de situatie te de-escaleren door middel van gesprekken, begeleiding en buurtbemiddeling, bleef de eiser onbereikbaar en weigerde mee te werken aan interventies. De burgemeester stuurde in september 2024 een waarschuwingsbrief en legde later een gedragsaanwijzing op na een geweldsincident. De eiser verbeurde meerdere dwangsommen wegens het niet naleven van de aanwijzingen.
Op 3 februari 2026 trachtte de eiser de kap van een boom te verhinderen, wat leidde tot de oplegging van het huisverbod. Volgens de burgemeester was er sprake van een patroon van structurele, intimiderende en agressieve gedragingen van de eiser. De burgemeester achtte het huisverbod noodzakelijk om de openbare orde te handhaven en de veiligheid van de omwonenden te waarborgen.
De eiser betwistte de opgelegde maatregelen en stelde dat er geen sprake was van ernstige hinder. Bovendien had de burgemeester geen belangenafweging gemaakt in het kader van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), aldus de eiser.
De beslissing van de rechtbank
De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester terecht het huisverbod had opgelegd, gelet op de rapportages, verklaringen en eerdere waarschuwingen. De rechter vond dat de burgemeester voldoende had aangetoond dat er sprake was van ernstige en herhaaldelijke overlast door de eiser. De incidenten waren bevestigd door verschillende getuigenverklaringen, waaronder die van een onafhankelijke hovenier.
De rechtbank concludeerde dat de belangenafweging die de burgemeester had gemaakt, voldoende was. Het belang van de openbare orde en de veiligheid van de omwonenden woog zwaarder dan het belang van de eiser om in zijn woning te blijven. Ook had de burgemeester aangeboden om tijdelijk onderdak voor de eiser te regelen, wat volgens de voorzieningenrechter voldoende was.
De rechter wees erop dat de burgemeester in zijn besluitvorming zorgvuldig te werk was gegaan door alle stappen van de Aanpak ernstige woonoverlast te doorlopen. Dit omvatte waarschuwingsbrieven, gedragsaanwijzingen en het opleggen van dwangsommen voordat het huisverbod werd opgelegd.
Het beroep van de eiser werd ongegrond verklaard, en hij kreeg geen vergoeding voor de proceskosten of het griffierecht terug. De uitspraak kon binnen zes weken aangevochten worden bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, maar tegen de beslissing over de voorlopige voorziening stond geen hoger beroep open.
De voorzieningenrechter benadrukte dat de maatregelen proportioneel waren en dat de burgemeester correct had gehandeld in overeenstemming met de gemeentelijke beleidsregels en wettelijke bepalingen. De uitspraak onderstreepte het belang van het waarborgen van de veiligheid en leefbaarheid in de woonomgeving, ook wanneer dit betekent dat er ingrijpende maatregelen zoals een huisverbod nodig zijn.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




