De zaak in het kort
De uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland betreft een geschil tussen een paar, aangeduid als eisers, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Fryske Marren. Het conflict draait om de permanente bewoning van een recreatiewoning door de eisers, wat volgens het college in strijd is met het Omgevingsrecht. Het college heeft een last onder dwangsom opgelegd om deze bewoning te beëindigen. De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de eisers en dat de motivering voor de handhaving niet deugdelijk is. De gevolgen van de handhaving kunnen namelijk vergaande negatieve effecten hebben voor de eisers, waaronder dakloosheid en het verlies van hun sociale netwerk. De rechtbank vernietigt het besluit van het college en draagt hen op een nieuw besluit te nemen, waarbij de persoonlijke omstandigheden van de eisers beter in acht worden genomen.
Het verloop van het proces en de feiten
Het proces begon met een besluit van het college op 13 februari 2025, waarin een last onder dwangsom werd opgelegd aan de eisers wegens het permanent bewonen van hun recreatiewoning. De eisers tekenden bezwaar aan tegen dit besluit, maar het college verklaarde hun bezwaar op 1 september 2025 ongegrond. De reden voor de handhaving was dat permanente bewoning in strijd is met de regels voor recreatiewoningen en de sfeer en het gebruik van het recreatiepark zou veranderen.
De eisers stelden beroep in tegen het besluit van het college. Op 24 september 2025 vond de zitting plaats, waarbij beide partijen hun standpunten naar voren brachten. De rechtbank gaf in een tussenuitspraak het college de kans om het motiveringsgebrek in het besluit te herstellen, maar concludeerde dat het college hierin tekort was geschoten. Het college had onvoldoende onderzocht waarom de persoonlijke omstandigheden van de eisers geen reden waren om van handhaving af te zien.
De rechtbank wees erop dat het college had moeten motiveren waarom het algemeen belang van handhaving zwaarder zou wegen dan de persoonlijke belangen van de eisers. Het college werd erop gewezen dat er politieke discussies gaande zijn over de mogelijkheid van permanente bewoning van recreatiewoningen en dat een groot deel van het recreatiepark hier ook voorstander van is.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank oordeelde dat het college het besluit tot handhaving onvoldoende had gemotiveerd en verzuimd had om de persoonlijke omstandigheden van de eisers adequaat te onderzoeken. De rechtbank benadrukte dat handhaving kan leiden tot ernstige gevolgen voor de eisers, zoals dakloosheid en verlies van een belangrijk sociaal netwerk. Bovendien had het college niet goed gemotiveerd welke invloed de medische en financiële omstandigheden van de eisers en de krapte op de woningmarkt hadden op de besluitvorming.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg het college op om binnen acht weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Dit nieuwe besluit moet rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van de eisers en de evenredigheid van de handhaving beoordelen. De rechtbank stelde een voorlopige voorziening in die de begunstigingstermijn verlengt tot zes weken na de bekendmaking van het nieuwe besluit op bezwaar.
Verder werd bepaald dat het college het door de eisers betaalde griffierecht moet vergoeden en hen een proceskostenvergoeding moet betalen. De rechtbank oordeelde dat meer onderzoek naar de persoonlijke omstandigheden van de eisers van het college verwacht had mogen worden, gezien de verstrekkende gevolgen van het besluit. Het college werd aangespoord om met de eisers in gesprek te gaan en hulp te bieden bij het zoeken naar een oplossing voor hun woonproblemen.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




