De zaak in het kort
In deze zaak heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao geoordeeld dat het bezwaar van eisers tegen een verleende bouwvergunning niet-ontvankelijk is vanwege een niet verschoonbare termijnoverschrijding. De eisers hadden bezwaar gemaakt tegen een bouwvergunning verleend voor de bouw van een woonhuis in het Boca Gentil Resort, Curaçao. De minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning had hun bezwaar afgewezen omdat het te laat was ingediend. Het gerecht heeft deze beslissing bevestigd en het beroep van de eisers ongegrond verklaard.
Het verloop van het proces en de feiten
Op 5 augustus 2020 verleende de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning een bouwvergunning aan O.D. International Investment N.V. voor de bouw van een woonhuis op een perceel in Boca Gentil Resort, Jan Thiel. Deze vergunning was publiekelijk beschikbaar vanaf 26 augustus 2020. Eisers, die in de nabijheid van het perceel wonen, maakten op 19 april 2023 bezwaar tegen deze bouwvergunning, onder de veronderstelling dat de bouwwerkzaamheden pas in maart 2023 waren opgemerkt. Op 3 september 2025 vond er een hoorzitting plaats, waarna de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde op grond van een aanzienlijke termijnoverschrijding.
De Adviescommissie concludeerde dat de bezwaartermijn liep van 27 augustus 2020 tot en met 7 oktober 2020. Het bezwaarschrift was pas op 19 april 2023 ingediend, wat een aanzienlijke overschrijding van de termijn betekende. De commissie vond dat geen sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding aangezien de eisers al eerder kennis hadden kunnen nemen van de bouwvergunning via de publicaties op de website van het ministerie en eerdere werkzaamheden die op het terrein waren uitgevoerd.
De beslissing van de rechtbank
Het gerecht beoordeelde de bestreden beschikking aan de hand van de beroepsgronden van de eisers en kwam tot het oordeel dat het beroep ongegrond was. Het gerecht oordeelde dat de eisers verwijtbaar te laat waren met het indienen van hun bezwaar, aangezien zij niet binnen de gestelde termijn van zes weken na bekendwording met de bouwvergunning bezwaar hadden gemaakt. Het gerecht oordeelde verder dat de eisers op verschillende momenten vóór april 2023 kennis hadden kunnen nemen van de vergunningsverlening en dat zij navraag hadden moeten doen naar de vergunning zodra zij in 2022 de voorbereidingen voor de bouw hadden waargenomen.
De rechtbank vond dat er geen verschoonbare redenen waren voor de termijnoverschrijding. De eisers hadden al in 2022 bouwactiviteiten kunnen zien en hadden toen al kunnen begrijpen dat er een bouwvergunning was verleend. De eerdere bouwactiviteiten en de publicatie van de vergunning op de website van het ministerie hadden voldoende aanleiding moeten zijn voor de eisers om tijdig bezwaar in te dienen. Het bezwaar werd uiteindelijk te laat ingediend, en er werden geen omstandigheden aangevoerd die de overschrijding van de termijn verschoonbaar maakten.
Aangezien de beroepsgronden van de eisers niet slagen, blijft de bestreden beschikking van de minister van kracht. Dit betekent dat de verleende bouwvergunning in stand blijft en dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. Partijen kunnen echter nog hoger beroep instellen tegen deze uitspraak bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie binnen zes weken na de uitspraak.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




