De zaak in het kort
Vamm-Rack Europe B.V., een Belgisch bedrijf, heeft in een hoger beroep geprobeerd het vonnis van de voorzieningenrechter te vernietigen. Deze rechter had bepaald dat Vamm-Rack’s conservatoir beslag op een perceel van [YY] B.V. moest worden opgeheven. De rechter oordeelde dat [A], een derde partij, een ouder recht op levering van het perceel had dan Vamm-Rack. Het hof bekrachtigt deze beslissing, aangezien Vamm-Rack’s claim op basis van een voorkeursrecht onvoldoende was om het oudere recht van [A] terzijde te schuiven.
Het verloop van het proces en de feiten
De zaak begon toen [YY] B.V. een bedrijventerrein in Nederland, waarvan een deel in 2020 aan Vamm-Rack was verkocht, in 2024 aan [A] verkocht. Vamm-Rack had een voorkeursrecht op het terrein, maar had in een eerdere gelegenheid in 2022 geen gebruik gemaakt van dit recht.
In 2024, tijdens de verkoop van het laatste deel aan [A], was er discussie over het al dan niet geldig zijn van Vamm-Rack’s voorkeursrecht. De notaris weigerde aanvankelijk de levering aan [A] omdat het terrein eerst aan Vamm-Rack aangeboden moest worden. Toen Vamm-Rack uiteindelijk aangaf van het voorkeursrecht gebruik te willen maken, ontstond er een juridisch conflict. [YY] eiste in kort geding opheffing van het beslag dat Vamm-Rack had laten leggen, zodat de verkoop aan [A] kon doorgaan. De voorzieningenrechter stemde daarmee in, waarna Vamm-Rack hoger beroep aantekende.
Tijdens het hoger beroep wees het hof op de eerdere communicatie tussen de partijen. Vamm-Rack had in 2023 in gesprekken met [YY] en [A] niet gereageerd op de verkoop en had zelfs aangegeven af te zien van een aankoop. Dit droeg bij aan [YY]’s overtuiging dat Vamm-Rack geen interesse had in aankoop, wat de rechtmatigheid van de verkoop aan [A] versterkte.
De beslissing van de rechtbank.
Het hof bekrachtigde het eerdere vonnis van de voorzieningenrechter. De kern van de beslissing was dat [A] een ouder recht op levering had dan Vamm-Rack, omdat de koopovereenkomst met [A] eerder tot stand was gekomen dan enige overeenkomst met Vamm-Rack. Vamm-Rack’s argument dat er een voorkeursrecht was overeengekomen dat gelijk stond aan een voorkooprecht naar Belgisch recht, werd verworpen. Het hof oordeelde dat er geen bewijs was voor een dergelijk voorkooprecht en dat de toepassing van Nederlands recht in de koopovereenkomst dit idee verder ondermijnde.
Ook het beroep van Vamm-Rack op redelijkheid en billijkheid, dat zou nopen tot afwijking van de hoofdregel van artikel 3:298 BW, werd afgewezen. Het hof vond geen aanwijzingen dat [YY] en [A] te kwader trouw waren of onrechtmatig jegens Vamm-Rack hadden gehandeld. Bovendien had Vamm-Rack zelf bijgedragen aan de indruk dat zij geen gebruik wenste te maken van haar voorkeursrecht, wat de rechtmatigheid van [YY]’s handelen verder ondersteunde.
Het hof veroordeelde Vamm-Rack tot betaling van de proceskosten in hoger beroep en bekrachtigde de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis van de voorzieningenrechter. Vamm-Rack kon niet aantonen dat haar rechten uit het voorkeursrecht zwaarder wogen dan het oudere recht van [A] op levering, waardoor haar hoger beroep faalde.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




