De zaak in het kort
In deze zaak stond de vraag centraal of [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld en daardoor schadeplichtig is tegenover [eiser]. [eiser], die vastgoed verhuurt, stelde dat zij huurinkomsten heeft misgelopen doordat een raam in haar appartement niet op tijd werd hersteld. Dit raam was tijdens inspectiewerkzaamheden door [gedaagde] gevallen. [eiser] vorderde schadevergoeding voor de gemiste huurinkomsten. De kantonrechter wees de vordering af, omdat de schade niet het directe gevolg was van nalatigheid door [gedaagde], maar van het ontbreken van een opdracht van de Vereniging van Eigenaars (VvE) voor herstel.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een dagvaarding op 2 september 2025, gevolgd door een conclusie van antwoord van [gedaagde]. Een tussenvonnis leidde tot een mondelinge behandeling op 3 februari 2026. [eiser] verhuurt onroerend goed en is lid van de VvE van een appartementencomplex. [bedrijf] B.V. beheert deze VvE en gaf [gedaagde] opdracht om een raam te inspecteren dat niet goed sloot. Tijdens de inspectie viel het raam, waarna het tijdelijk werd vervangen door een houten plaat.
In de nasleep van het incident voerde [eiser] aan dat [gedaagde] onrechtmatig had gehandeld door het raam niet goed terug te plaatsen en vervolgens onbeheerd achter te laten. Bovendien had [gedaagde] het noodraam niet kunnen plaatsen omdat zij essentiële onderdelen van het raam had meegenomen. [eiser] eiste een schadevergoeding van € 9.375,00 voor de gederfde huurinkomsten en bijkomende incassokosten.
[gedaagde] verdedigde zich door te stellen dat zij niet aansprakelijk was. Zij voerde aan dat zij nooit een formele opdracht had ontvangen van de VvE om het raam te vervangen, een noodzakelijke stap voordat zij tot herstel kon overgaan. Verder betwistte [gedaagde] het oorzakelijke verband tussen haar handelen en de gestelde schade.
De beslissing van de rechtbank
De kantonrechter oordeelde dat er geen sprake was van een onrechtmatige daad door [gedaagde]. De rechtbank stelde dat de schade, namelijk de misgelopen huurinkomsten, niet direct voortvloeide uit het gedrag van [gedaagde], maar het resultaat was van het ontbreken van een opdracht van de VvE voor het herstellen van het raam. [eiser] had de schade ook niet voldoende onderbouwd; er was geen bewijs geleverd dat de kamer daadwerkelijk niet verhuurd kon worden en dat er huurinkomsten misgelopen waren.
De kantonrechter merkte op dat [gedaagde] herhaaldelijk had geprobeerd toestemming of een opdracht te verkrijgen voor het herstel van het raam, maar dat dit nooit door de VvE werd verleend. Daarom kon [gedaagde] niet verantwoordelijk worden gehouden voor de vertraging in het herstelproces.
Verder concludeerde de rechtbank dat het meenemen van het draai-onderdeel van het raam door [gedaagde] niet als onrechtmatig kon worden aangemerkt, aangezien er onvoldoende bewijs was dat het onderdeel nog bruikbaar was of dat het meenemen ervan onzorgvuldig was.
Tot slot werd de vordering van [eiser] afgewezen, en werd [eiser] veroordeeld tot betaling van de proceskosten van [gedaagde], begroot op € 1.008,00 inclusief nakosten. De rechtbank verklaarde deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad, wat betekent dat deze direct uitgevoerd kan worden, zelfs als er hoger beroep wordt ingesteld.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




