De zaak in het kort
De rechtbank Den Haag heeft zich gebogen over een geschil tussen Stichting [eiseres] en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. De kwestie draaide om het opleggen van een last onder dwangsom aan de eiseres wegens een vermeende illegale bouwkundige splitsing van een pand, en de invordering van een verbeurde dwangsom. De rechtbank oordeelde dat het college terecht handelde en de last onder dwangsom mocht opleggen, evenals de invordering van de dwangsom. De beroepen van de eiseres werden ongegrond verklaard.
Het verloop van het proces en de feiten
Op 22 januari 2021 constateerde een toezichthouder dat er twee woningen aanwezig waren in het pand aan de [adres 1]. De Vereniging van Eigenaars (VvE) had op 18 februari 2021 een verzoek tot handhaving ingediend bij het college omdat de splitsing zonder toestemming van de VvE was uitgevoerd en daarom als illegaal werd beschouwd. Een derde partij, eigenaar van een ander pand, diende op 31 maart 2021 eveneens een verzoek tot handhaving in vanwege strijd met het bestemmingsplan.
Op 30 april 2021 besloot het college om een last onder dwangsom op te leggen aan de eiseres. De dwangsom betrof het beëindigen van de bouwkundige splitsing van het pand. Als de eiseres niet voldeed voor 1 juli 2021, zou zij een dwangsom van € 5.000,- verbeuren. Op 8 februari 2022 wees het college de bezwaren van de eiseres tegen dit besluit af. Vervolgens informeerde het college de eiseres op 30 juni 2022 dat de overtreding niet was beëindigd en dat de dwangsom was verbeurd. Op 19 juli 2022 werd de dwangsom ingevorderd.
De eiseres diende een beroep in tegen het dwangsombesluit en maakte bezwaar tegen de invordering. De rechtbank behandelde de beroepen op 18 december 2025 samen met andere vergelijkbare zaken. De rechtbank oordeelde dat de eiseres als overtreder kon worden aangemerkt omdat zij niet had onderzocht of een vergunning voor de splitsing nodig was of verleend was.
De beslissing van de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat de bouwkundige splitsing van het pand in strijd was met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) omdat er geen omgevingsvergunning was verleend. Het college had daarom terecht een last onder dwangsom opgelegd. De rechtbank vond ook dat de eiseres als overtreder kon worden aangemerkt omdat zij de splitsing in stand liet zonder vergunning, wat in strijd was met artikel 2.3a van de Wabo.
De rechtbank wees de argumenten van de eiseres af dat het besluit in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. De eiseres had niet aangetoond dat zij niet voldoende gelegenheid had gehad om een zienswijze in te dienen. Ook vond de rechtbank dat er geen sprake was van een onevenredige invordering van de dwangsom. De rechtbank concludeerde dat de beroepen van de eiseres ongegrond waren en de bestreden besluiten in stand bleven.
De rechtbank behandelde tevens een verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Dit verzoek werd gehonoreerd in een andere zaak die eveneens betrekking had op hetzelfde onderwerp. Tot slot was er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of teruggave van het griffierecht aan de eiseres. De eiseres kan tegen deze uitspraak in hoger beroep gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.


