De zaak in het kort
De rechtbank Den Haag heeft een besluit vernietigd dat door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag werd genomen met betrekking tot twee aan de [stichting] en een derde-partij opgelegde lasten onder dwangsom en bestuursdwang. Het college had eerder de bezwaren van de eiser tegen deze lasten ongegrond verklaard. De eiser had beroep ingesteld tegen de besluiten van het college, omdat hij vond dat de lasten niet voldeden aan de vereiste specificaties. De rechtbank oordeelde dat het college ten onrechte had afgezien van een inhoudelijke beoordeling van de bezwaren van de eiser en vernietigde het besluit. Desondanks blijven de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand, omdat de rechtbank van mening was dat de bezwaren van de eiser na inhoudelijke beoordeling niet konden slagen.
Het verloop van het proces en de feiten
Op 22 januari 2021 constateerde een toezichthouder dat er twee woningen in het pand aan de [adres] aanwezig waren. De eiser diende op 31 maart 2021 een verzoek tot handhaving in bij het college omdat de bouwkundige splitsing van het pand zonder toestemming van de VvE had plaatsgevonden en in strijd was met het bestemmingsplan. Het college legde op 30 april 2021 aan zowel de [stichting] als de derde-partij een last onder dwangsom op om de bouwkundige splitsing ongedaan te maken. Op 24 mei 2022 volgde een tweede last onder dwangsom en op 6 september 2022 een last onder bestuursdwang.
De eiser maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar het college verklaarde deze bezwaren ongegrond met de redenering dat de overtreding inmiddels was beëindigd doordat de vereiste herstelmaatregelen waren getroffen. De eiser stelde beroep in, omdat hij van mening was dat de herstelmaatregelen niet hadden geleid tot de laatst vergunde situatie van het pand.
De beslissing van de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat het beroep van de eiser ten aanzien van de eerste lasten onder dwangsom niet-ontvankelijk was omdat de eiser geen bezwaar had ingediend tegen de oorspronkelijke besluiten van 30 april 2021. De rechtbank vond dat de eiser redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat hij bezwaar moest maken tegen deze besluiten om zijn gewenste uitkomst te bereiken.
Voor het tweede besluit van 28 februari 2023 concludeerde de rechtbank dat het college ten onrechte had afgezien van een inhoudelijke beoordeling van de bezwaren van de eiser. De rechtbank vond dat de eiser belang had bij de beoordeling van zijn bezwaar, omdat hij betoogde dat de lasten niet tot de laatst vergunde situatie hadden geleid. Het besluit werd vernietigd, maar de rechtsgevolgen bleven in stand omdat de inhoudelijke bezwaren van de eiser ongegrond waren. De rechtbank oordeelde dat de lasten niet konden voorschrijven dat de woning werd teruggebracht naar de door de eiser gewenste indeling, omdat dit een vergunningsvrije activiteit betrof.
Verder wees de rechtbank de verzoeken van de eiser om proceskostenvergoeding in bezwaar en een dwangsom wegens niet-tijdig beslissen af. De rechtbank kende wel een schadevergoeding toe aan de eiser vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, maar deze werd slechts eenmaal toegekend voor een gelijktijdig behandelde zaak met zaaknummer SGR 22/1845.
De rechtbank veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten van de eiser en bepaalde dat het college het door de eiser betaalde griffierecht moest vergoeden. De uitspraak is openbaar gemaakt op 25 maart 2026 en de partijen hebben de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.


