De zaak in het kort
De rechtbank Amsterdam heeft op 7 april 2026 uitspraak gedaan in een geschil tussen een Vereniging van Eigenaars (VvE) en een individuele eigenaar van een appartement. De VvE eiste betaling van achterstallige bijdragen van de eigenaar, [gedaagde], die zich beriep op financiële onmacht en deelname aan schuldhulpverlening. De rechtbank oordeelde dat de eigenaar de verschuldigde bijdragen moest betalen, ondanks haar financiële situatie, en wees ook toekomstige betalingsverplichtingen toe.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een dagvaarding, waarin de VvE betaling van achterstallige bijdragen van [gedaagde] eiste. [gedaagde] is eigenaar van een appartement en daarmee automatisch lid van de VvE, wat haar verplicht tot het betalen van vastgestelde bijdragen voor het onderhoud van het gebouw. Echter, [gedaagde] liet betalingsachterstanden ontstaan van januari 2024 tot maart 2026.
In oktober 2024 werd een betalingsregeling getroffen van €100 per maand, maar deze kwam te vervallen omdat [gedaagde] de afspraken niet nakwam. In februari 2026 werd [gedaagde] toegelaten tot schuldhulpverlening. De VvE vroeg de rechtbank om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een hoofdsom van €3.838,88, plus bijkomende kosten en toekomstige bijdragen.
Tijdens de mondelinge behandeling op 26 maart 2026 erkende [gedaagde] haar betalingsverplichtingen en de hoogte van de schuld, maar voerde aan dat zij als zelfstandig ondernemer momenteel geen stabiel inkomen heeft. Ze stelde dat de VvE onredelijk handelde door geen betalingsregelingen toe te staan.
De VvE voerde aan dat [gedaagde] haar verplichtingen niet nakwam en dat er geen ruimte was voor herstel van de betalingsregeling. De vereniging vond dat de bijkomende kosten gerechtvaardigd waren en dat betaling van toekomstige bijdragen noodzakelijk was gezien het herhaaldelijke betalingsverzuim.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank oordeelde dat [gedaagde] de verschuldigde hoofdsom en bijkomende kosten moest betalen. De kantonrechter stelde vast dat de betalingsregeling was vervallen omdat deze niet werd nagekomen. Ondanks [gedaagde]’s financiële moeilijkheden was er geen wettelijke basis om de betalingsverplichting op te schorten.
De gevorderde hoofdsom werd toegewezen, inclusief de wettelijke rente en incassokosten. De rechtbank stelde dat de VvE recht had op betaling van zowel de achterstallige als de toekomstige bijdragen, gezien de vastgestelde betalingsachterstanden van [gedaagde]. De gevorderde incassokosten werden ook toegewezen, aangezien [gedaagde] de ontvangst van de aanzegging had erkend.
De reconventionele vorderingen van [gedaagde], waaronder het verzoek tot herstel van de betalingsregeling en het matigen van de bijkomende kosten, werden afgewezen. De rechtbank vond dat [gedaagde] haar vordering onvoldoende had onderbouwd en dat de procedure zich niet leende voor de beoordeling van VvE-besluiten over betalingsregelingen.
Uiteindelijk werd [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten van €1.251,14, en haar tegenvorderingen werden afgewezen. De rechtbank verklaarde de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad, wat betekent dat de uitspraak direct kan worden uitgevoerd ondanks eventueel hoger beroep.
Deze uitspraak benadrukt de verplichtingen van appartementseigenaren binnen een VvE, zelfs bij financiële problemen, en de beperkte mogelijkheden binnen het rechtssysteem om betalingsverplichtingen te schorsen op basis van persoonlijke financiële omstandigheden.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




