De zaak in het kort
De zaak betreft een geschil tussen een voormalig bestuurslid van een Vereniging van Eigenaars (VvE), hier aangeduid als [naam], en de Kamer van Koophandel (KvK). [Naam] heeft bezwaar gemaakt tegen de beslissing van de KvK om zijn nieuwe inschrijving als bestuurder van de VvE vanaf 30 oktober 2023 te registreren, in plaats van met terugwerkende kracht vanaf 18 april 2017. De KvK heeft zijn bezwaar ongegrond verklaard, waarop [naam] in beroep is gegaan bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (het College). Het College heeft uiteindelijk geoordeeld dat [naam]’s beroep ongegrond was.
Het verloop van het proces en de feiten
[Naam] was oorspronkelijk de eigenaar van een pand dat later in appartementsrechten werd gesplitst, waarbij hij één van de vier appartementseigenaren werd. In 2009 werd de VvE in het handelsregister ingeschreven, en [naam] werd als bestuurder geregistreerd. Op 18 april 2017 werd [naam] op basis van een opgave van de VvE uitgeschreven als bestuurder, en werd deze positie sindsdien vervuld door een combinatie van bewoners en professionele VvE-beheerders. [Naam] heeft meerdere keren zonder succes geprobeerd deze uitschrijving aan te vechten, met als gevolg dat het besluit onherroepelijk werd.
In november 2022 kwam aan het licht dat enkele inschrijvingen in het handelsregister zonder instemming van de professionele VvE-beheerder MVGM Vastgoed B.V. waren gedaan. Dit leidde ertoe dat de KvK deze inschrijvingen introk. Hoewel deze intrekking geen invloed had op de eerdere uitschrijving van [naam], betoogde hij dat er in de periode 2017-2022 frauduleuze handelingen hadden plaatsgevonden die de VvE benadeelden. [Naam] diende op 30 oktober 2023 opnieuw een verzoek in om als bestuurder ingeschreven te worden, voorzien van de benodigde bewijsstukken. De KvK voldeed aan dit verzoek, maar [naam] maakte bezwaar omdat hij vond dat hij met terugwerkende kracht vanaf 18 april 2017 ingeschreven had moeten worden.
De beslissing van de rechtbank
Het College heeft eerst onderzocht of er sprake was van misbruik van recht door [naam], zoals aangevoerd door de KvK. De KvK stelde dat [naam] misbruik maakte van zijn recht door steeds weer zijn uitschrijving van 2017 aan te vechten via verschillende procedures. Het College oordeelde dat er geen sprake was van misbruik van recht. Het College stelde dat [naam] geen onredelijk doel nastreefde met zijn verzoek om inschrijving zonder hiaten in het handelsregister, ondanks eerdere pogingen om zijn uitschrijving aan te vechten.
Daarop beoordeelde het College de inhoud van het beroep. [Naam] stelde dat hij vanaf 18 april 2017 als bestuurder had moeten worden ingeschreven. Het College bevestigde dat de KvK correct had gehandeld door [naam] per 30 oktober 2023 in te schrijven, zoals hij zelf had opgegeven, en dat er geen aanleiding was voor een inschrijving met terugwerkende kracht. Het besluit van 5 juli 2017, dat [naam] uitschreef als bestuurder, was reeds onaantastbaar geworden door een eerdere uitspraak van het College in 2018. Er was geen bewijs dat [naam] in de tussenliggende periode daadwerkelijk als bestuurder had opgetreden.
Het College verklaarde het beroep van [naam] ongegrond en stelde vast dat de KvK op juiste gronden had gehandeld. Er waren geen proceskosten voor de KvK om te vergoeden. De beslissing werd op 31 maart 2026 openbaar gemaakt.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




