De zaak in het kort
De kwestie voor het gerechtshof Amsterdam betreft de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van twee kinderen, oftewel kinderalimentatie, die de vader aan de moeder moet betalen. De rechtbank Amsterdam had eerder bepaald dat de vader vanaf september 2024 een bedrag van € 84,- per kind per maand moet betalen. Zowel de moeder als de vader zijn het niet eens met deze beslissing. De moeder streeft naar een hoger bedrag, terwijl de vader pleit voor een lager bedrag.
Het verloop van het proces en de feiten
De moeder ging op 6 februari 2025 in hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam. De vader diende op 15 april 2025 een verweerschrift in, dat ook een incidenteel hoger beroep omvatte. Vervolgens reageerde de moeder met een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep. Beide partijen leverden aanvullende stukken aan het hof, en op 10 juli 2025 vond de mondelinge behandeling plaats waarbij beide partijen, bijgestaan door hun advocaten, hun standpunten presenteerden.
De man en de vrouw hadden een affectieve relatie en samen twee kinderen, geboren in 2017 en 2019. Ze oefenen gezamenlijk gezag uit over de kinderen, die bij de moeder wonen. Een zorgregeling bepaalt dat de kinderen de helft van de tijd bij elke ouder verblijven.
De moeder verzocht in haar hoger beroep om de kinderalimentatie te verhogen naar € 300,- per kind per maand, of zelfs naar € 484,- per kind per maand, mede gebaseerd op een vermindering van haar inkomen door arbeidsongeschiktheid. De vader verzocht daarentegen om een verlaging naar € 74,- per kind per maand.
De beslissing van de rechtbank.
Het hof beoordeelde de grieven van beide partijen gezamenlijk en per onderwerp. Ze overwoog dat de ingangsdatum van de alimentatieverplichting 11 september 2024 blijft, zoals eerder door de rechtbank bepaald. Er was geen afspraak dat de alimentatie eerder zou beginnen en de man had al diverse kosten voor de kinderen gemaakt vóór deze datum.
Over de behoefte van de kinderen waren partijen het eens dat deze in 2024 € 1.521,- per maand bedroeg. Het hof stelde de behoefte voor 2025 vast op € 1.620,- per maand na indexatie.
Bij het vaststellen van de draagkracht van de moeder werd rekening gehouden met haar inkomen en de door haar ontvangen Individueel Keuzebudget. De rechtbank berekende haar draagkracht vanaf 11 september 2024 op € 998,- per maand, en vanaf 1 juni 2025 op € 392,- per maand, na vermindering van haar inkomen door arbeidsongeschiktheid. De vrouw had schulden bij DUO en haar tante, waarmee het hof bij de draagkrachtberekening rekening hield.
De draagkracht van de vader werd berekend op basis van zijn jaarinkomen in 2024, met een overweging voor een inkomensvermindering door ouderschapsverlof. Daarnaast werd zijn vermogen meegenomen in de berekening, ondanks zijn bezwaar dat beleggingen kunnen fluctueren. Het hof hield rekening met de helft van het woonbudget, aangezien de vader bij zijn partner woont en zij de lasten dragen.
De uiteindelijke kinderalimentatie werd vastgesteld op € 213,- per kind per maand vanaf 11 september 2024, geïndexeerd naar € 227,- per kind per maand vanaf 1 januari 2025, en verhoogd naar € 376,- per kind per maand vanaf 1 juni 2025, rekening houdend met de zorgkorting en de onderlinge draagkrachtverdeling tussen de ouders. Deze beslissing werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de man deze bedragen meteen moet betalen, ongeacht een eventueel hoger beroep of andere juridische stappen. De rest van de verzoeken in hoger beroep werden afgewezen.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



