De zaak in het kort
In deze zaak staat de vastgestelde WOZ-waarde van een woning centraal. De woning is gelegen aan een straat in een niet nader genoemde plaats en is een benedenwoning met tuin en berging. De eigenaar van de woning, aangeduid als [X], heeft bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde waarde van €1.523.000 voor het kalenderjaar 2023. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard door de heffingsambtenaar van de betreffende gemeente. Daaropvolgend werd ook het beroep tegen deze beslissing door de rechtbank ongegrond verklaard. [X] ging in hoger beroep tegen deze uitspraak bij het gerechtshof Amsterdam.
Het verloop van het proces en de feiten
Het geschil begon met een beschikking van de heffingsambtenaar waarin de WOZ-waarde van de woning per 1 januari 2022 werd vastgesteld. [X] maakte bezwaar dat door de heffingsambtenaar op 20 november 2023 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Amsterdam volgde dit oordeel en verklaarde het daaropvolgende beroep ongegrond op 2 juli 2024. [X] diende vervolgens op 9 augustus 2024 hoger beroep in bij het gerechtshof, met aanvullende motivering in oktober 2024.
Tijdens het proces werd de WOZ-waarde van de woning beoordeeld aan de hand van de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde van de woning wordt onderbouwd door vergelijkbare woningen die rond de waardepeildatum zijn verkocht. Belanghebbende voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank zijn beroepsgronden ten onrechte tardief had verklaard. Deze gronden hielden onder meer in dat de vergelijkingsobjecten die de heffingsambtenaar tijdens de beroepsfase had gebruikt, niet representatief waren en dat de kwaliteit van de woning onvoldoende in de waardering was verwerkt.
Belanghebbende bekritiseerde ook het gebrek aan toelichting op de waardering van de kelder en de berging in de gebruikte vergelijkingsobjecten. Verder stelde [X] dat de staat van onderhoud van de woning, zoals enkele beglazing en ondermaatse duurzaamheid, onvoldoende in de WOZ-waardering waren meegenomen.
De beslissing van de rechtbank
Het gerechtshof Amsterdam oordeelde dat de rechtbank terecht de nieuwe beroepsgronden van [X] als tardief had verklaard, omdat deze tijdens de zitting werden aangevoerd zonder dat de heffingsambtenaar zich er adequaat tegen kon verweren. Het hof vond dat [X] voldoende gelegenheid had om eerder te reageren op het verweerschrift van de heffingsambtenaar.
Daarnaast oordeelde het hof dat de heffingsambtenaar vrij was om in elke fase van de procedure de onderbouwing van de WOZ-waarde te wijzigen of aan te vullen. De door de heffingsambtenaar in hoger beroep gebruikte vergelijkingsobjecten waren volgens het hof voldoende vergelijkbaar met de woning van [X], waarbij rekening was gehouden met verschillen in oppervlakte, kwaliteit, onderhoud en ligging.
Het hof vond dat er geen sprake was van een te hoge WOZ-waarde, aangezien de heffingsambtenaar correcties had toegepast voor de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten. De kritiek van [X] op de waardering van de kelder en berging werd verworpen, aangezien de kelder als secundaire woonruimte terecht in de waardering was meegenomen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. Er was geen reden voor een proceskostenvergoeding of vergoeding van het griffierecht. Het hof concludeerde dat de heffingsambtenaar de woningwaarde niet te hoog had vastgesteld en dat de door [X] aangevoerde gronden geen ander licht op de zaak wierpen.
Belanghebbende kan binnen zes weken na de uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden, waarbij hij onder andere een afschrift van deze uitspraak moet bijvoegen en voldoet aan de eisen voor het indienen van een beroep in cassatie.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




