De zaak in het kort
[Appellante], eigenaar van een appartement, exploiteert een Bed & Breakfast (B&B) in hun appartement. De Vereniging van Eigenaars (VvE) van het gebouw waar het appartement zich bevindt, stelt dat dit in strijd is met de splitsingsakte, die het uitvoeren van een horeca-bedrijf in de appartementen verbiedt. [Appellante] heeft de kantonrechter gevraagd om de besluiten van de VvE, die erop gericht zijn het gebruik van het appartement als B&B te stoppen, te vernietigen. De kantonrechter heeft het verzoek afgewezen, met het argument dat een B&B onder de term ‘horeca-bedrijf’ valt zoals omschreven in de splitsingsakte, en dat de VvE het gelijkheidsbeginsel niet heeft geschonden. Het gerechtshof heeft deze beslissing bevestigd.
Het verloop van het proces en de feiten
[Appellante] heeft hoger beroep aangetekend tegen de beschikking van de kantonrechter. De zaak begon met een beroepschrift dat op 15 november 2024 bij het gerechtshof Amsterdam werd ingediend. De VvE diende op 19 december 2024 een verweerschrift in. Tijdens de mondelinge behandeling op 14 augustus 2025 hebben beide partijen hun standpunten verduidelijkt en vragen van het hof beantwoord.
De feiten in deze zaak zijn als volgt: het gebouw is gesplitst in dertien appartementsrechten volgens een notariële splitsingsakte uit 1988, waarin het gebruik van de appartementen als horeca-bedrijf verboden is. [Appellante] hebben in 2021 twee van deze appartementsrechten verkregen en zijn in november 2023 met hun B&B gestart, nadat de gemeente een vergunning had verleend. Echter, de VvE heeft geconcludeerd dat de B&B in strijd is met de splitsingsakte en heeft actie ondernomen om dit gebruik te beëindigen.
Een ander lid van de VvE, [naam 1], kreeg ook een vergunning voor een B&B en toestemming van de VvE, hoewel later enkele leden bezwaar maakten. De VvE heeft [appellante] gewaarschuwd dat hun gebruik van het appartement als B&B in strijd is met de regels en dat ze hiervoor boetes kunnen krijgen.
De beslissing van de rechtbank
Het gerechtshof beoordeelde de argumenten van [appellante] en de VvE. Het hof stelde dat de splitsingsakte duidelijk is in het verbod op horeca-activiteiten, en een B&B valt onder deze categorie vanwege het verstrekken van logies, ongeacht de kleinschaligheid of het besloten karakter. Het hof wees ook het argument van [appellante] af dat de vergunning van de gemeente hun B&B legitimeert, omdat deze vergunning binnen een bestuursrechtelijk kader valt, terwijl de toestemming van de VvE binnen een civielrechtelijk kader valt.
Wat betreft het gelijkheidsbeginsel, constateerde het hof dat [appellante] niet voldoende onderbouwd hebben dat de VvE ongelijk heeft gehandeld. De VvE was ook tegen [naam 1] opgetreden en de situatie van een ander lid, waarin personeel zonder vergoeding in het appartement overnachtte, was niet vergelijkbaar met die van [appellante], waar betaald wordt voor overnachtingen.
Het hof bekrachtigde de beschikking van de kantonrechter en veroordeelde [appellante] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep, vastgesteld op € 3.226,00. Deze uitspraak benadrukt de interpretatie van de splitsingsakte volgens objectieve maatstaven en de noodzaak voor appartementseigenaren om zich aan de vastgelegde regels van de VvE te houden, zelfs als zij gemeentelijke vergunningen verkrijgen die hun activiteiten toestaan.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



