De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om [appellante], die in hun appartement een Bed & Breakfast (B&B) exploiteren. De Vereniging van Eigenaren (VvE) van het gebouw waar het appartement deel van uitmaakt, heeft bezwaar gemaakt tegen deze exploitatie. Volgens de splitsingsakte mag er in een appartement geen horeca-bedrijf worden uitgevoerd, en de VvE beschouwt de B&B als een dergelijk horeca-bedrijf. [appellante] waren het hier niet mee eens en vroegen de kantonrechter om de besluiten van de VvE te vernietigen. De kantonrechter wees dit verzoek af, omdat ook een B&B onder het verbod valt. Het Gerechtshof Amsterdam heeft deze beslissing van de kantonrechter bekrachtigd.
Het verloop van het proces en de feiten
[appellante] zijn in hoger beroep gekomen tegen de beslissing van de kantonrechter die op 17 oktober 2024 was genomen. De VvE had eerder een vergunning van de gemeente gekregen voor hun B&B, geldig van 3 oktober 2023 tot 1 juli 2028. [appellante] waren in 2021 eigenaar geworden van hun appartementsrechten, en startten hun B&B in november 2023. De VvE had echter besloten dat het exploiteren van een B&B niet in overeenstemming was met de regels van de splitsingsakte, die expliciet horeca-activiteiten verbiedt. De VvE voerde aan dat de B&B door [appellante] in strijd was met de splitsingsakte en dat er geen sprake was van een schending van het gelijkheidsbeginsel, ondanks dat een andere bewoner, [naam 1], wel toestemming had gekregen voor een B&B.
Tijdens het proces in hoger beroep voerden [appellante] aan dat een B&B niet hetzelfde is als een horeca-bedrijf en dat er ten tijde van de opstelling van de splitsingsakte in 1988 nog geen sprake was van het fenomeen B&B in Nederland. Ze wezen op de kleinschaligheid van hun B&B en het feit dat het geen openbaar toegankelijke horeca-activiteit betrof. Bovendien beschikten ze over een vergunning van de gemeente. De VvE stelde daartegenover dat de splitsingsakte duidelijk was in het verbod op horeca-activiteiten en dat een B&B daaronder valt. Bovendien zou het feit dat een vergunning van de gemeente is verkregen geen invloed hebben op de civielrechtelijke afspraken binnen de VvE.
De beslissing van de rechtbank
Het hof oordeelde dat het aanbieden van logies in de vorm van een B&B inderdaad valt onder het verbod op het uitoefenen van een ‘horeca-bedrijf’, zoals opgenomen in de splitsingsakte. Het hof vond de argumenten van [appellante] onvoldoende overtuigend om een andere interpretatie van de splitsingsakte te rechtvaardigen. Het hof benadrukte dat de bedoeling van de splitsingsakte naar objectieve maatstaven moet worden afgeleid, en dat de exploitatie van een B&B zonder twijfel onder het verbod valt.
Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel oordeelde het hof dat [appellante] onvoldoende hadden aangetoond dat de VvE in strijd met dit beginsel had gehandeld. De VvE had namelijk ook maatregelen genomen tegen [naam 1], die eerder toestemming had gekregen, en de situatie van een andere bewoner, [naam 9], was niet vergelijkbaar met die van [appellante]. Er was dus geen sprake van ongelijke behandeling.
Uiteindelijk bekrachtigde het hof de beslissing van de kantonrechter en veroordeelde [appellante] in de kosten van het hoger beroep, vastgesteld op € 3.226,00. Het hof stelde dat de aangevoerde grieven geen doel troffen en dat de bestreden beschikking gehandhaafd bleef. Deze beslissing was in lijn met de eerdere uitspraak van de kantonrechter, waarbij werd bepaald dat de B&B-activiteiten van [appellante] niet in overeenstemming waren met de regels van de splitsingsakte.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




