De zaak in het kort
De zaak betreft een klacht van [appellant] tegen [geïntimeerde], een notaris, met betrekking tot de verkoop en levering van een appartement. [appellant], die gehuwd was, verkocht een appartement aan een derde partij. In de koopovereenkomst verklaarde hij te handelen met toestemming van zijn echtgenote, maar zij ondertekende de overeenkomst niet. De notaris weigerde de akte van levering te passeren zonder schriftelijke toestemming van de echtgenote. Daarnaast was er een betwiste vordering van de Vereniging van Eigenaars (VvE) op [appellant] die de kopers niet wilden overnemen. [appellant] tekende onder protest de nota van afrekening, inclusief de betaling aan de VvE, om te voorkomen dat de akte van levering niet zou worden gepasseerd. De klacht van [appellant] omvatte het handelen van de notaris in strijd met zijn zorgplicht door (1) het eisen van schriftelijke toestemming van de echtgenote, (2) weigeren een betwist bedrag in depot te plaatsen, en (3) het in rekening brengen van kosten in strijd met de koopovereenkomst.
Het verloop van het proces en de feiten
Het proces begon met een klacht bij de kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag, die op 14 mei 2025 werd behandeld. [appellant] ging in beroep tegen de beslissing van deze kamer, waarna het gerechtshof Amsterdam de zaak in hoger beroep behandelde. Tijdens de zitting op 30 oktober 2025 voerden beide partijen hun standpunten aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen.
De feiten van de zaak zijn als volgt: [appellant] sloot op 22 juli 2022 een koopovereenkomst voor de verkoop van een appartementsrecht. De overeenkomst vermeldde dat de verkoper handelde met toestemming van zijn echtgenote, die de overeenkomst diende te ondertekenen als bewijs. Echter, de echtgenote had de overeenkomst niet medeondertekend.
Een medewerkster van het notariskantoor wees [appellant] op de verplichtingen onder de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en de bijbehorende kosten, die volgens [appellant] ten onrechte bij hem in rekening werden gebracht. Ook weigerde de notaris de akte van levering te passeren zonder schriftelijke toestemming van de echtgenote, ondanks dat [appellant] aangaf dat zijn echtgenote mondeling toestemming had gegeven. Daarnaast was er een betwiste vordering van de VvE, die [appellant] niet wilde betalen maar wel op de nota van afrekening stond.
De beslissing van de rechtbank
Het gerechtshof Amsterdam oordeelde dat de klacht van [appellant] op alle onderdelen ongegrond was. Ten aanzien van de Wwft-kosten oordeelde het hof dat het gebruikelijk is dat deze bij de partij in rekening worden gebracht die het betreft, en dat [geïntimeerde] terecht deze kosten bij [appellant] in rekening had gebracht. Het hof vond dat [geïntimeerde] juist handelde door te eisen dat de echtgenote van [appellant] schriftelijke toestemming gaf voor de levering, om te voorkomen dat de rechtshandeling achteraf vernietigd kon worden wegens gebrek aan toestemming.
Met betrekking tot de betwiste vordering van de VvE oordeelde het hof dat [geïntimeerde] correct had gehandeld door rekening te houden met de belangen van alle betrokken partijen en dat er geen overeenstemming was over een depotregeling. Het hof vond dat [geïntimeerde] niet verantwoordelijk was voor het beoordelen van de juistheid van de vordering van de VvE en dat hij [appellant] correct had geadviseerd om de kwestie rechtstreeks met de VvE te regelen.
Het hof bevestigde de beslissing van de kamer, waarbij alle onderdelen van de klacht van [appellant] ongegrond werden verklaard. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026 door de rolraadsheer.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




