De zaak in het kort
In een hoger beroep oordeelt het Gerechtshof Amsterdam over een geschil tussen Stichting Ymere en een huurder, aangeduid als [geïntimeerde], die camera’s aan de buitenzijde van haar woning heeft geplaatst. De huurder stelde dat de camera’s nodig waren wegens overlast van een buurman in hetzelfde appartementencomplex, eveneens een huurder van Ymere. De kantonrechter oordeelde eerder dat de camera’s mochten blijven totdat de Vereniging van Eigenaren (VvE) een nieuw camerasysteem in het complex zou installeren. Echter, in hoger beroep heeft het hof anders beslist en [geïntimeerde] alsnog bevolen de camera’s te verwijderen.
Het verloop van het proces en de feiten
Ymere ging in hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, die had geoordeeld dat de door [geïntimeerde] geplaatste camera’s niet verwijderd hoefden te worden zolang de VvE geen nieuw camerasysteem had geïnstalleerd. Ymere betoogde dat [geïntimeerde] de camera’s zonder toestemming van zowel Ymere als de VvE had opgehangen aan de buitenzijde van de woning, wat volgens de huurovereenkomst en de splitsingsakte niet toegestaan was zonder schriftelijke toestemming.
De woning van [geïntimeerde] is onderdeel van een appartementsrecht en Ymere is als eigenaar lid van de VvE. De splitsingsakte van de VvE vereist toestemming voor het aanbrengen van zichtbare veranderingen aan het gebouw. De VvE had Ymere verzocht de camera’s te laten verwijderen wegens het ontbreken van toestemming. Ymere had daarover contact opgenomen met [geïntimeerde], maar zij had de camera’s niet verwijderd ondanks meerdere sommaties.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaarde Ymere dat de camera’s in strijd waren met de privacyrechten van andere huurders en dat de VvE Ymere onder druk zette vanwege het niet nakomen van verplichtingen uit de splitsingsakte. [geïntimeerde] verweerde zich door te stellen dat zij de camera’s nodig had voor haar veiligheid, vanwege overlast van een buurman.
De beslissing van de rechtbank
Het hof oordeelde dat de huurovereenkomst, die was gesloten vóór 1 augustus 2003, nog onder het oude recht viel, waarin het mogelijk was om overeen te komen dat wijzigingen aan de buitenzijde van de woning schriftelijke toestemming vereisten. Het hof concludeerde dat [geïntimeerde] zonder toestemming van Ymere had gehandeld, in strijd met artikel 5.1 van de algemene voorwaarden van de huurovereenkomst. Het hof vond dat er geen objectieve overlastsituatie was aangetoond die het gebruik van de camera’s rechtvaardigde en dat de VvE inmiddels een werkend camerasysteem had geïnstalleerd, waardoor de veiligheid van [geïntimeerde] voldoende was gewaarborgd.
Ymere’s vordering werd grotendeels toegewezen, behalve de gevorderde dwangsom. Het hof vond dat de belangen van Ymere bij de verwijdering van de camera’s zwaarder wogen dan het belang van [geïntimeerde] om de camera’s te behouden. Het hof wees ook op de verplichting van Ymere als verhuurder om aan de regels van de VvE te voldoen. Het hof besloot dat [geïntimeerde] de camera’s binnen twee weken na betekening van het arrest moet verwijderen en dat Ymere, indien [geïntimeerde] in gebreke blijft, de camera’s op kosten van [geïntimeerde] mag verwijderen. De beslissing over de proceskosten werd aangehouden in afwachting van een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de geldigheid van het proceskostenbeding in de huurovereenkomst.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




