De zaak in het kort
In deze zaak, die is behandeld door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, speelde een conflict tussen een appartementseigenaar en een bouwbedrijf, [geïntimeerde] B.V., over de bouw van een nieuw appartementencomplex op een aangrenzend perceel. Het geschil draaide om de vraag of de appartementseigenaar, [appellanten] c.s., moest toestaan dat twee ramen in de zijgevel van hun appartement zouden worden dichtgezet als onderdeel van de bouwplannen van [geïntimeerde]. Dit zou gebeuren op voorwaarde dat een compensatievergoeding werd betaald voor het verlies aan licht en uitzicht dat hiermee gepaard gaat.
Het verloop van het proces en de feiten
Het proces begon met een hoger beroep dat door [appellanten] c.s. werd ingesteld nadat de rechtbank Midden-Nederland eerder een uitspraak had gedaan waarbij hun verzet tegen de bouwplannen van [geïntimeerde] was afgewezen. [appellanten] c.s. voerden aan dat [geïntimeerde] geen belang bij haar vorderingen zou hebben, omdat zij nog niet over een onherroepelijke omgevingsvergunning beschikte. Zij beweerden ook dat het dichtzetten van de ramen onrechtmatige hinder zou opleveren, aangezien hierdoor hun recht op licht en uitzicht zou worden beperkt.
Tijdens het proces moest [geïntimeerde] bewijs leveren over de eigendomssituatie van de ramen en de regeling die zij met de Vereniging van Eigenaars (VvE) had gesloten. De eigendom van de ramen bleek bij [appellanten] c.s. te liggen, nadat een wijziging in het splitsingsreglement van het appartementencomplex was doorgevoerd. [geïntimeerde] had tevens een overeenkomst met de VvE gesloten waarin de VvE instemde met het dichtzetten van de ramen in ruil voor een compensatie van € 5.000 per eigenaar.
De beslissing van de rechtbank
Het gerechtshof oordeelde dat [geïntimeerde] voldoende belang had bij haar vorderingen, ondanks dat de omgevingsvergunning nog niet onherroepelijk was. Het hof wees erop dat [geïntimeerde] haar bouwplannen zonder civielrechtelijke claims wilde realiseren. De rechtbank vond ook dat de ramen geen onrechtmatige hinder opleverden, omdat [geïntimeerde] zich tijdig had verzet tegen de uitzichtmogelijkheden die de ramen boden. De rechtbank oordeelde dat, hoewel het dichtzetten van de ramen enige hinder zou veroorzaken, deze hinder niet onrechtmatig was. Het hof overwoog dat [geïntimeerde] compensatie had aangeboden en dat er nog steeds voldoende lichtinval was, mede doordat er sprake was van een ander raam in de slaapkamer van [appellanten] c.s.
Het gerechtshof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank, met de aanpassing dat [geïntimeerde] verplicht was de compensatie van € 5.000 aan [appellanten] c.s. te betalen voordat de bouwwerkzaamheden begonnen. Het hof besloot ook dat beide partijen hun eigen proceskosten moesten dragen.
In het licht van de wet- en regelgeving, en ondanks de bezwaren van [appellanten] c.s., concludeerde het hof dat [geïntimeerde] gerechtigd was de bouwplannen voort te zetten onder de gestelde voorwaarden, inclusief de betaling van een compensatie aan de appartementseigenaren.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



