De zaak in het kort
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in een hoger beroep uitspraak gedaan over een vervangende machtiging voor het aanbrengen van dakramen door de eigenaren van een appartement. De Vereniging van Eigenaars (VvE) had aanvankelijk toestemming geweigerd voor het plaatsen van de dakramen. De eigenaren, [appellanten], vroegen het hof om die beslissing te herzien. Het hof oordeelde dat de VvE geen redelijke grond had om de toestemming te weigeren en verleende de vervangende machtiging aan de eigenaren.
Het verloop van het proces en de feiten
[appellanten], die sinds medio 2023 eigenaren zijn van een appartement, hadden zonder formele toestemming van de VvE dakramen laten plaatsen op hun zolderverdieping. De akte van splitsing van het gebouw stelt dat voor veranderingen aan gemeenschappelijke gedeelten, zoals daken, toestemming van de VvE vereist is. [appellanten] hadden in september 2023 hun plannen om de dakramen te plaatsen kenbaar gemaakt aan de beheerder MVGM Vastgoedmanagement B.V., die hen informeerde dat VvE-toestemming noodzakelijk was. Ondanks de goedkeuring van de technische aspecten door MVGM, werd de formele toestemming door de VvE tijdens een vergadering in februari 2024 geweigerd wegens het niet vooraf vragen van toestemming.
Na de afwijzing bij de kantonrechter in augustus 2024 besloten [appellanten] hoger beroep aan te tekenen. De zaak werd op 27 augustus 2025 mondeling behandeld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Tijdens deze zitting lichtten [appellanten] hun verzoek toe om een vervangende machtiging te verkrijgen, waarbij ze benadrukten dat de dakramen technisch en constructief aan alle vereisten voldeden en dat het plaatsen ervan geen architectonische of structurele schade aan het gebouw veroorzaakte. Ze voerden ook aan dat het toevoegen van de ramen de verhuurmogelijkheden van het appartement verbeterde.
De beslissing van de rechtbank
Het hof gaf [appellanten] gelijk en verleende de gevraagde vervangende machtiging. Het oordeelde dat de VvE de toestemming zonder redelijke grond had geweigerd en dat de argumenten tegen de plaatsing van de dakramen onvoldoende waren. Het hof wees erop dat de verhuur van het appartement in overeenstemming was met de bestemming die in de splitsingsakte is vastgelegd. Het stelde verder dat de VvE op andere wijze eventuele overlast van de verhuurders zou moeten aanpakken, indien daar sprake van was, in plaats van de plaatsing van dakramen te weigeren als indirect middel om verhuur te beperken.
Het hof verwierp tevens de overige bezwaren van de VvE, zoals de vermeende wijziging van het architectonisch uiterlijk en het potentiële effect op toekomstige plaatsing van zonnepanelen. Het hof oordeelde dat de geplaatste dakramen slechts een zeer klein deel van het totale dakoppervlak beslaan en dat er geen concrete plannen of belemmeringen waren die de positie van de VvE in deze zaak konden versterken.
Tot slot veroordeelde het hof de VvE in de proceskosten van zowel het hoger beroep als de eerdere procedure bij de kantonrechter, inclusief de nakosten voor de betekening van de uitspraak. De beslissing werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de veroordelingen direct ten uitvoer kunnen worden gelegd, zelfs als de zaak aan de Hoge Raad zou worden voorgelegd. De uitspraak markeert een belangrijke interpretatie van artikel 5:121 BW, dat de verhouding tussen mede-eigenaars, de redelijkheid en billijkheid centraal stelt bij het verlenen van toestemming voor wijzigingen aan gemeenschappelijke delen van een gebouw.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




