De zaak in het kort
In deze zaak staat een geschil tussen Stichting Park Boswijk en een huurster centraal. De huurster weigert een deel van de in rekening gebrachte servicekosten te betalen, met name de zorgkosten, omdat zij van mening is dat deze niet onder de overeengekomen basisservice vallen. De Stichting vordert betaling van achterstallige servicekosten en naheffingen, terwijl de huurster tegenvorderingen instelt voor een correcte eindafrekening en terugbetaling van te veel betaalde kosten. Zowel de Stichting als de huurster zijn in hoger beroep gegaan na een eerdere uitspraak van de kantonrechter die beide vorderingen had afgewezen.
Het verloop van het proces en de feiten
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelt de zaak in hoger beroep. De Stichting verleent basis- en facultatieve diensten aan de bewoners van een appartementencomplex. [huurster] huurt een appartement in dit complex en is het niet eens met de kosten die de Stichting in rekening heeft gebracht. De Stichting heeft bij de kantonrechter gevorderd dat [huurster] wordt veroordeeld tot betaling van achterstallige servicekosten over een bepaalde periode, vermeerderd met wettelijke rente. [huurster] daarentegen vordert in reconventie dat de Stichting de eindafrekening over 2019 verstrekt en dat de betalingsverplichtingen duidelijk worden vastgesteld, met eventuele terugbetaling van te veel betaalde bedragen.
De kantonrechter had beide vorderingen afgewezen, waarna beide partijen hoger beroep instelden. De Stichting wilde dat het hof op meerdere punten een verklaring voor recht zou uitspreken en dat de afwijzingen van hun vorderingen door de kantonrechter zouden worden herzien. Het hof heeft de zaak verder behandeld en gekeken naar de afspraken die partijen hebben gemaakt, met name de interpretatie van wat onder basisservicekosten valt.
De beslissing van de rechtbank.
Het gerechtshof oordeelde dat de huurster een deel van de gevorderde betalingsachterstand alsnog moet betalen aan de Stichting. Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter gedeeltelijk en bepaalde dat de gevorderde verklaringen voor recht (a t/m e) werden toegewezen. De andere vorderingen van de Stichting en de vorderingen van [huurster] werden afgewezen.
Het hof besloot dat de basisservicekosten niet beperkt zijn tot de inhoud van een specifieke bijlage bij de huurovereenkomst, maar ook omvatten wat in het huishoudelijk reglement is opgenomen. Dit betekent dat zowel bijlage F als bijlage D bij de uitleg van de basisservicekosten moeten worden betrokken. Het hof vond dat de kantonrechter ten onrechte had aangenomen dat alleen kosten uit bijlage F aan de huurster in rekening mochten worden gebracht.
Wat betreft de gevorderde zorgkosten, oordeelde het hof dat deze niet onder de basisservice vielen omdat er geen besluit was genomen door de bewonersvergadering om deze kosten als zodanig te beschouwen. Zonder zo’n besluit, dat volgens het huishoudelijk reglement nodig is om wijzigingen door te voeren, kunnen de zorgkosten niet aan de huurster worden doorberekend.
Daarnaast beoordeelde het hof de naheffingen. Voor 2018 werd een naheffing van € 245,76 toegewezen, omdat deze niet was betwist. Voor 2019 wees het hof de vordering af omdat de zorgkosten ten onrechte waren opgenomen in de servicekosten. Ook voor 2020 werd een deel van de naheffing afgewezen, omdat zorgkosten ten onrechte waren doorberekend.
Het hof kende de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten gedeeltelijk toe aan de Stichting. De verklaringen voor recht werden toegewezen om toekomstige geschillen te verhelderen, hoewel ze in grote lijnen bevestigden wat al in de overeenkomst en het reglement was vastgelegd.
In het incidenteel hoger beroep van [huurster] werd geoordeeld dat het huurrecht niet van toepassing was op de overeenkomst met de Stichting, waardoor de vorderingen van [huurster] tot aanpassing van de servicekosten en terugbetaling niet konden worden toegewezen.
Conclusie: het hof heeft een gedeeltelijke toewijzing gedaan van de vorderingen van de Stichting en de verklaringen voor recht, terwijl het grootste deel van de vorderingen van de huurster is afgewezen. De Stichting werd beschouwd als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in het principaal hoger beroep en moest de proceskosten betalen. Het hoger beroep van [huurster] slaagde niet, en zij werd veroordeeld in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




