De zaak in het kort
In het hoger beroep behandeld door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, stond een geschil centraal tussen twee partijen over een verdelingsafspraak en de uitvoering van herstelwerkzaamheden aan appartementen. De zaak betrof de eigenaren van twee appartementen die onderdeel uitmaken van hetzelfde flatgebouw en leden zijn van de Vereniging van Eigenaars (VvE). Deze eigenaren hebben conflicten over de uitvoering van sloop- en herstelwerkzaamheden aan hun respectieve appartementen. De initiële sloopwerkzaamheden, uitgevoerd zonder toestemming van de VvE, leidden tot juridische procedures en een vaststellingsovereenkomst. Echter, deze overeenkomst werd door een van de partijen niet nagekomen, wat resulteerde in een kort geding en een daaropvolgend hoger beroep.
Het verloop van het proces en de feiten
De zaak begon met de sloopwerkzaamheden die [appellanten] zonder overleg met [geïntimeerde1] uitvoerden aan hun appartement. Dit omvatte de verwijdering van dragende muren en de sloop van het balkon, luifel en bloembak. De ongeoorloofde sloopwerkzaamheden leidden tot juridische conflicten, waarbij uiteindelijk een vaststellingsovereenkomst werd gesloten. Hierin kwamen de partijen overeen dat [appellanten] de nodige herstelwerkzaamheden uiterlijk op 31 december 2024 zouden voltooien. Toen deze werkzaamheden niet werden uitgevoerd, stapten [geïntimeerden] naar de rechter en eisten dat [appellanten] bepaalde documenten zouden overleggen en de herstelwerkzaamheden binnen een vastgestelde tijd afronden, onder dreiging van een dwangsom.
De voorzieningenrechter gaf [geïntimeerden] gelijk en legde [appellanten] op om uiterlijk op 12 maart 2025 schriftelijke bouwtekeningen en andere noodzakelijke documenten te overleggen. Ook moesten zij binnen zes weken na goedkeuring van [geïntimeerde1] de herstelwerkzaamheden uitvoeren, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag, met een maximum van € 25.000. [Appellanten] gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak, waarbij zij vier grieven aanvoerden.
De beslissing van de rechtbank
Het hof oordeelde dat de voorzieningenrechter terecht de vorderingen van [geïntimeerden] had toegewezen. Ten aanzien van de spoedeisendheid oordeelde het hof dat deze nog steeds aanwezig was, gezien de noodzaak om de afspraken uit de vaststellingsovereenkomst na te komen en de nadelige situatie snel te beëindigen. De eerste grief van [appellanten] werd daarom verworpen.
De tweede grief betrof de vraag of de voorzieningenrechter VvE-gerelateerde aspecten buiten beschouwing had moeten laten. Het hof oordeelde dat de VvE-participatie en de regelgeving die daarmee gepaard gaat, relevant waren voor de beoordeling van de verplichtingen van [appellanten]. De voorzieningenrechter had dus terecht deze aspecten in zijn beslissing betrokken, waardoor ook de tweede grief faalde.
Met hun derde grief stelden [appellanten] dat de voorzieningenrechter met zijn veroordelingen een nieuwe rechtstoestand tussen de partijen had gecreëerd, wat in kort geding niet zou mogen. Het hof oordeelde dat de voorzieningenrechter binnen het kader van de vaststellingsovereenkomst en de VvE-regels was gebleven en dat de veroordelingen geen nieuwe rechtstoestand creëerden. Ook deze grief werd verworpen.
De vierde en laatste grief betrof de oplegging van dwangsommen. [Appellanten] betoogden dat zij niet redelijkerwijs in staat waren om binnen de gestelde termijnen aan de veroordelingen te voldoen. Het hof oordeelde dat [appellanten] dit onvoldoende hadden onderbouwd en dat er geen objectieve redenen waren waarom de termijnen niet gehaald konden worden. De voorzieningenrechter had de dwangsommen terecht toegepast om [appellanten] aan te sporen tot actie. Deze laatste grief werd ook verworpen.
Als gevolg van deze bevindingen bekrachtigde het hof het vonnis van de voorzieningenrechter en veroordeelde [appellanten] in de kosten van het hoger beroep. De veroordeling werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze onmiddellijk ten uitvoer kan worden gelegd. Het hof benadrukte dat de verplichtingen van [appellanten] in lijn zijn met de vaststellingsovereenkomst en de regels van de VvE, en dat de dwangsommen bedoeld zijn om naleving van deze verplichtingen te waarborgen.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



