De zaak in het kort
De zaak betreft een conflict binnen een Vereniging van Eigenaars (VvE) waarbij de leden van mening verschillen over wie de rechtmatige bestuurder van de VvE is, of de overeenkomst met de voormalige beheerder eind 2021 is beëindigd, en of een specifiek artikel in het huishoudelijk reglement nietig is. De kantonrechter heeft eerder in het voordeel van de verweerders beslist. De appellante, die het niet eens is met deze beslissing, heeft hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof Den Haag heeft de beschikking van de kantonrechter echter op alle punten bekrachtigd.
Het verloop van het proces en de feiten
De appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Leiden, van 5 april 2023. De verweerders hebben een verweerschrift ingediend en er heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden op 19 mei 2025. Tijdens deze zitting bleek dat niet alle belanghebbenden correct waren opgeroepen, wat leidde tot een nieuwe datum voor een mondelinge behandeling op 13 oktober 2025.
De zaak draait om een notariële akte uit 2004, waarbij een perceel bouwgrond werd gesplitst in 25 appartementsrechten, en een VvE werd opgericht. Er is een reglement opgesteld volgens het Burgerlijk Wetboek en een huishoudelijk reglement vastgesteld. In het reglement is onder meer bepaald dat de vergadering van eigenaars bijeen geroepen kan worden door het bestuur of een bepaald percentage van de eigenaars.
Het conflict begon toen een verzoek om een extra algemene ledenvergadering werd afgewezen door de toenmalige beheerder, VvE Company, vanwege COVID-19 beperkingen. Dit leidde tot een reeks bijeenkomsten en vergaderingen in 2021, waarvan de legaliteit en de genomen besluiten ter discussie staan. De appellante en anderen hadden een vergadering bijeen geroepen om een nieuw bestuur te benoemen en de huidige beheerder te vervangen, maar deze was niet rechtsgeldig. De kantonrechter oordeelde dat de benoeming van een nieuw bestuur op 22 december 2021 niet rechtsgeldig was, en dat de beheerovereenkomst met VvE Company niet was beëindigd zoals beweerd door de appellante.
De beslissing van de rechtbank
Het gerechtshof heeft alle grieven van de appellante afgewezen. De rechtbank concludeerde dat de vergadering van 13 september 2021 legaal was en dat de daaropvolgende digitale vergadering op 30 november 2021 rechtsgeldig was uitgeschreven door VvE Company in navolging van een eerder besluit. De door de appellante uitgeroepen vergadering op dezelfde dag was dan ook niet rechtsgeldig.
Artikel 42 van het huishoudelijk reglement, dat beperkingen oplegde aan het aantal leden dat een gemachtigde kon vertegenwoordigen, werd door de kantonrechter als nietig beschouwd wegens strijdigheid met het hoofdreglement. Dit oordeel werd door het hof bekrachtigd. De beheerovereenkomst met VvE Company was niet beëindigd omdat de directeur van VvE Company deze niet had opgezegd, ondanks een eerder uitgesproken intentie daartoe.
De beslissing van de kantonrechter om de primaire verzoeken van de verweerders toe te wijzen werd gehandhaafd. Dit betekende dat de appellante en anderen verplicht waren om samen te werken aan de overdracht van de administratie en andere bestuurszaken. Het hof veroordeelde de appellante in de proceskosten van het hoger beroep, waarmee de totale kosten voor haar werden vastgesteld op €4.163, inclusief wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen werden voldaan. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Het hof heeft de beschikking van de kantonrechter volledig bekrachtigd, waarmee de eerder genomen beslissingen in stand bleven. De appellante werd veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep, waarbij het hof nadruk legde op het gebrek aan juridische grondslag voor de bezwaren van de appellante tegen de eerdere beschikking.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




