De zaak in het kort
In deze zaak oordeelde het Gerechtshof Den Haag over een hoger beroep van een huiseigenaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning door de gemeente Den Haag. De huiseigenaar betwistte de hoogte van de WOZ-waarde en claimde dat de gemeente haar toezendplicht en het motiveringsbeginsel had geschonden, en vroeg om een immateriële schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn. Het hof bevestigde grotendeels de eerdere uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissing over de immateriële schadevergoeding.
Het verloop van het proces en de feiten
De eigenaar van een etage-portiekwoning uit 1936 maakte bezwaar tegen de WOZ-beschikking van de gemeente Den Haag, die de woningwaarde per 1 januari 2021 op € 193.000 had vastgesteld. De huiseigenaar stelde dat de waarde te hoog was en dat de gemeente niet adequaat had voldaan aan de toezendplicht. De gemeente gebruikte vergelijkingsobjecten en een taxatiematrix om de waarde te onderbouwen.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat de gemeente de waarde niet te hoog had vastgesteld en dat er geen sprake was van schending van de toezendplicht of het motiveringsbeginsel. De rechtbank wees ook het verzoek om immateriële schadevergoeding af, ondanks een lichte overschrijding van de redelijke termijn, omdat de vergoeding was afgestaan aan de gemachtigde van de eigenaar.
In hoger beroep hield de huiseigenaar zijn standpunt aan dat de gemeente niet had voldaan aan de toezendplicht, het motiveringsbeginsel had geschonden, en de waarde van de woning te hoog had vastgesteld. Hij vroeg om een waardeverlaging naar € 180.000, een immateriële schadevergoeding en een proceskostenvergoeding.
De beslissing van de rechtbank.
Het Gerechtshof Den Haag heroverwoog de zaak en oordeelde dat de rechtbank correct had gehandeld in haar beoordeling van de WOZ-waarde en de toepassing van de toezendplicht en het motiveringsbeginsel. Het hof vond dat de gemeente met de taxatiematrix en de vergelijkingsobjecten voldoende bewijs had geleverd voor de vastgestelde waarde. De huiseigenaar had in hoger beroep geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een andere uitkomst zouden moeten leiden.
Echter, ten aanzien van de immateriële schadevergoeding kwam het hof tot een andere conclusie. Hoewel de rechtbank de vergoeding had afgewezen omdat deze was toegewezen aan de gemachtigde, oordeelde het hof dat dit geen belemmering mocht zijn voor toekenning van de vergoeding. Het hof kende een immateriële schadevergoeding van € 500 toe wegens de overschrijding van de redelijke termijn met 53 dagen.
Het hof besloot daarom het hoger beroep gegrond te verklaren, maar alleen voor wat betreft de immateriële schadevergoeding. Daarnaast werd de gemeente veroordeeld in de proceskosten voor beroep en hoger beroep, totaal € 249,43, en moest zij het betaalde griffierecht van € 188 aan de huiseigenaar vergoeden. Het hof bevestigde verder de uitspraak van de rechtbank met betrekking tot de WOZ-waarde en de overige geschilpunten.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



