De zaak in het kort
In deze zaak is het gerechtshof in Den Haag betrokken bij de beoordeling van een hoger beroep van een huiseigenaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning door de gemeente Den Haag. De huiseigenaar betwistte de oorspronkelijke WOZ-waarde van €193.000, vastgesteld door de gemeente, en stelde dat deze te hoog was. Hij zocht een verlaging naar €180.000. Tevens stelde hij dat er sprake was van een schending van de toezendplicht en het motiveringsbeginsel door de gemeente. Daarnaast vroeg hij om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de procedure.
Het verloop van het proces en de feiten
De huiseigenaar (belanghebbende) ontving een beschikking van de gemeente Den Haag waarin de waarde van zijn woning, een etage-portiekwoning uit 1936, was vastgesteld op €193.000 voor het belastingjaar 2022. Hij maakte bezwaar tegen deze beschikking, maar de gemeente verklaarde het bezwaar ongegrond. Hierop stelde de huiseigenaar beroep in bij de rechtbank Den Haag, dat vervolgens ongegrond werd verklaard. De rechtbank oordeelde dat de gemeente voldoende aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde correct was vastgesteld met behulp van een matrix van vergelijkbare woningen.
De huiseigenaar was het niet eens met deze uitspraak en ging in hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag. Hij beweerde dat de gemeente niet had voldaan aan de toezendplicht door niet alle gevraagde onderbouwingen van de waarde te verstrekken, en dat de motivering van de vastgestelde waarde onvoldoende was. Daarnaast vroeg hij opnieuw om een immateriële schadevergoeding vanwege de lange duur van de procedure, die hij had gecedeerd aan zijn gemachtigde.
Tijdens de beroepsfase en in hoger beroep werd de zaak verder behandeld met diverse stukken van beide partijen. De mondelinge behandeling vond plaats, maar de gemachtigde van de huiseigenaar was niet aanwezig bij de zitting.
De beslissing van de rechtbank
Het gerechtshof Den Haag oordeelde dat de gemeente Den Haag terecht de WOZ-waarde van de woning had vastgesteld op €193.000. Het hof vond dat de vergelijkingen met andere woningen in de matrix voldoende de waarde ondersteunden en dat er geen sprake was van een schending van de toezendplicht of het motiveringsbeginsel door de gemeente. De argumenten van de huiseigenaar werden niet als nieuw of anderszins doorslaggevend beschouwd om de eerdere uitspraken te herzien.
Echter, het gerechtshof oordeelde anders over de immateriële schadevergoeding. De huiseigenaar had recht op een vergoeding van €500 vanwege de overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. Dit was gebaseerd op een eerder arrest van de Hoge Raad, dat stelde dat een dergelijke vergoeding niet in de weg staat dat deze aan de rechtsbijstandverlener toekomt, zelfs als de belanghebbende daarmee heeft ingestemd.
Het hoger beroep werd gedeeltelijk gegrond verklaard, specifiek ten aanzien van de toekenning van de immateriële schadevergoeding. Daarnaast werd de gemeente veroordeeld tot het betalen van de proceskosten en het terugbetalen van de griffierechten voor zowel het beroep als het hoger beroep.
In zijn slotsom bevestigde het gerechtshof de eerdere beslissing van de rechtbank met betrekking tot de WOZ-waarde, maar wijzigde de beslissing ten aanzien van de immateriële schadevergoeding. De gemeente werd verplicht een schadevergoeding van €500 te betalen, evenals de proceskosten van in totaal €249,43 en de terugbetaling van de griffierechten van €188.
Deze uitspraak geeft inzicht in de complexiteit van WOZ-procedures en benadrukt het belang van een gedegen onderbouwing door gemeenten bij het vaststellen van onroerendezaakwaarden, evenals de rechten van burgers op een tijdige afhandeling van hun zaken.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




