De zaak in het kort
In deze juridische kwestie heeft het gerechtshof Den Haag uitspraak gedaan in een hoger beroepszaak met betrekking tot de vaststelling van de WOZ-waarde van een woning. De belanghebbende, eigenaar van een etage-portiekwoning uit 1936, ging in hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank Den Haag die de vastgestelde WOZ-waarde van € 193.000 had bevestigd. De belanghebbende voerde aan dat de toezendplicht was geschonden, het motiveringsbeginsel niet was nageleefd, en de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld. Ook werd verzocht om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het gerechtshof bevestigde grotendeels de uitspraak van de rechtbank, maar kende wel een immateriële schadevergoeding toe aan de belanghebbende.
Het verloop van het proces en de feiten
De heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag had op basis van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de woning vastgesteld op € 193.000 voor het kalenderjaar 2022. De belanghebbende maakte bezwaar tegen deze vaststelling, maar het bezwaar werd door de heffingsambtenaar ongegrond verklaard. Hierop volgde een beroepsprocedure bij de rechtbank Den Haag, waar een griffierecht van € 50 werd geheven. De rechtbank oordeelde echter dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond.
De belanghebbende ging vervolgens in hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag, met als doel de uitspraak van de rechtbank te vernietigen en de WOZ-waarde te laten vaststellen op € 180.000. Tevens werd om een immateriële schadevergoeding gevraagd vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Het gerechtshof hoorde de zaak op 13 november 2025. De heffingsambtenaar was hierbij aanwezig, maar de gemachtigde van de belanghebbende had vooraf laten weten niet te zullen verschijnen.
Tijdens het proces werd vastgesteld dat de woning een gebruiksoppervlak heeft van 76 m² en dateert uit 1936. Tijdens de bezwaarfase had de heffingsambtenaar een taxatieverslag overlegd, waarin de waarde van de woning werd onderbouwd met gegevens van vergelijkbare woningen. De rechtbank had geoordeeld dat deze vergelijkingsobjecten goed vergelijkbaar waren en dat voldoende rekening was gehouden met verschillen tussen de woningen.
Belanghebbende had onder meer geklaagd dat de heffingsambtenaar niet had voldaan aan de toezendplicht en dat bepaalde documenten niet waren verstrekt. De rechtbank oordeelde echter dat de werkwijze van de heffingsambtenaar in lijn was met jurisprudentie en dat er geen sprake was van schending van de toezendplicht. Daarnaast vond de rechtbank geen schending van het motiveringsbeginsel.
De beslissing van de rechtbank
Het gerechtshof Den Haag beoordeelde in hoger beroep of de toezendplicht was geschonden, het motiveringsbeginsel niet was nageleefd, de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld en of er recht was op een immateriële schadevergoeding. Het gerechtshof concludeerde dat de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing had genomen wat betreft de vaststelling van de WOZ-waarde en de schending van rechtsbeginselen. De belanghebbende had in hoger beroep geen nieuwe feiten of omstandigheden ingebracht die een ander licht op de zaak konden werpen. Derhalve bleef de vastgestelde WOZ-waarde van € 193.000 gehandhaafd.
Wel oordeelde het gerechtshof dat de rechtbank ten onrechte het verzoek om immateriële schadevergoeding had afgewezen. De Hoge Raad had eerder bepaald dat een dergelijke vergoeding niet in de weg staat als deze aan de rechtsbijstandverlener toekomt. Er was sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met 53 dagen, wat geheel aan de bezwaarfase werd toegerekend. Het gerechtshof kende een immateriële schadevergoeding van € 500 toe aan de belanghebbende.
Verder werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten voor beroep en hoger beroep, zijnde een totaalbedrag van € 249,43, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van € 188.
In de slotsom verklaarde het gerechtshof het hoger beroep gegrond voor zover het de beslissing over de immateriële schadevergoeding betrof. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd op dit punt, maar verder bevestigd. Beide partijen hebben de mogelijkheid om binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie in te stellen bij de Hoge Raad der Nederlanden.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




