De zaak in het kort
In deze kwestie draait het om een geschil tussen een verkoper, [appellant], en de kopers, [geïntimeerden], van een appartement. Beide partijen hadden afgesproken dat [appellant] voor de leveringsdatum bepaalde zaken zou regelen, waaronder het repareren van een lekkage en het vestigen van een erfdienstbaarheid. [appellant] slaagde hier niet tijdig in, wat leidde tot een uitstel van de overdracht. [appellant] ging ervan uit dat hiermee ook zijn verplichtingen waren uitgesteld, maar [geïntimeerden] betwistten dit en stelden [appellant] in gebreke, eisend dat hij de contractuele boete van 10% van de koopprijs zou betalen wegens niet-tijdige nakoming.
Het verloop van het proces en de feiten
De oorspronkelijke koopovereenkomst werd op 13 december 2022 gesloten, met een geplande leveringsdatum van 1 maart 2023. Naast de koopprijs van € 447.500,- zouden [geïntimeerden] ook € 7.500,- aan [appellant] betalen, wat later werd kwijtgescholden als compensatie voor een benadeelde positie tijdens de onderhandelingen.
In januari 2023 ontdekten [geïntimeerden] een aantal problemen, waaronder een onjuiste veronderstelling over de oppervlakte van de woning en een lopende procedure tussen [appellant] en de Vereniging van Eigenaren (VvE). [appellant] stemde ermee in zijn vordering tegen de VvE in te trekken, en de extra € 7.500,- werd hen kwijtgescholden.
Toen bleek dat [appellant] niet tijdig voldeed aan de eisen van de koopovereenkomst, stelden [geïntimeerden] hem in gebreke. De rechtbank in Rotterdam gaf [geïntimeerden] gelijk en veroordeelde [appellant] tot betaling van de boete. Deze werd echter gematigd vanwege een eerdere tegemoetkoming van [appellant].
De beslissing van de rechtbank
Bij het gerechtshof in Den Haag ging [appellant] in hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank. Hij voerde aan dat de leveringsdatum in onderling overleg was uitgesteld en dat hij dus niet tekort was geschoten in zijn verplichtingen. Het hof oordeelde echter dat er geen sprake was van een nieuw overeengekomen leveringsdatum. De verplichting om voor 1 maart 2023 zorg te dragen voor de reparatie van de lekkage en de vestiging van de erfdienstbaarheid bleef op [appellant] rusten.
Het hof stelde dat de communicatie tussen partijen, met name via WhatsApp, niet voldoende was om aan te nemen dat [geïntimeerden] akkoord waren met een uitstel van de verplichtingen van [appellant]. De boete van 10% van de koopprijs was dus terecht opgelegd, hoewel deze door de rechtbank was gematigd vanwege de eerdere kwijtschelding van € 7.500,- aan [geïntimeerden].
[appellant] stelde dat de boete verder gematigd moest worden, gezien de omstandigheden zoals de afhankelijkheid van derden voor het nakomen van zijn verplichtingen en de aanzienlijke kosten die hij had gemaakt om aan de eisen te voldoen. Het hof vond echter dat deze omstandigheden voor rekening van [appellant] kwamen en dat er geen verdere matiging van de boete nodig was.
Het hof bekrachtigde uiteindelijk het vonnis van de rechtbank, maar compenseerde de proceskosten in hoger beroep, waardoor elke partij hun eigen kosten moest dragen. De uitspraak bevestigde het belang van duidelijke afspraken en communicatie bij het aangaan van een koopovereenkomst en benadrukte de verantwoordelijkheden die bij een dergelijke overeenkomst komen kijken.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




