De zaak in het kort
Het Gerechtshof Den Haag heeft op 25 februari 2026 een uitspraak gedaan over een geschil inzake de vastgestelde WOZ-waarde van een woning in de gemeente Westland. De erfgenamen van de overleden belanghebbende voerden aan dat de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld en dat er sprake was van schendingen van de toezendverplichting onder de Wet WOZ en het recht op een nadere hoorzitting volgens de Algemene wet bestuursrecht. Het hof oordeelde echter dat de Heffingsambtenaar de waardering correct had uitgevoerd en dat er geen schendingen hadden plaatsgevonden.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een beschikking van de Heffingsambtenaar die de WOZ-waarde van een appartement in de gemeente Westland voor het belastingjaar 2022 op € 481.000 vaststelde. De belanghebbende, die inmiddels was overleden, had bezwaar gemaakt tegen deze beschikking, maar de Heffingsambtenaar wees dit bezwaar af. Vervolgens stelde de belanghebbende beroep in bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. Opnieuw werd er hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Den Haag.
Tijdens de procedure werd vastgesteld dat het appartement een oppervlakte heeft van 115 m² en beschikt over een dakterras, berging en parkeerplaats. De Heffingsambtenaar had verschillende documenten verstrekt, waaronder een taxatieverslag en een matrix met vergelijkingsobjecten, om de vastgestelde waarde te onderbouwen.
In het hoger beroep werden verschillende punten van geschil aangevoerd. De erfgenamen stelden dat de toezendverplichting niet was nagekomen omdat bepaalde gegevens niet inzichtelijk waren gemaakt. Ze voerden ook aan dat er nieuwe referentieobjecten waren genoemd in de uitspraak op bezwaar, wat volgens hen een schending van het recht op een nadere hoorzitting betekende. Daarnaast betwistten ze de hoogte van de vastgestelde WOZ-waarde en bekritiseerden ze de motivering door de rechtbank.
De beslissing van de rechtbank
Het Gerechtshof Den Haag oordeelde dat de Heffingsambtenaar had voldaan aan de toezendverplichting. De gegevens die aan de vastgestelde waarde ten grondslag lagen, waren voldoende gespecificeerd en verstrekt in de bezwaarfase. Het hof vond dat het verzoek om nadere gegevens te verstrekken te onspecifiek was om de toezendverplichting verder uit te breiden.
Ten aanzien van het gebruik van nieuwe vergelijkingsobjecten in de uitspraak op bezwaar, oordeelde het hof dat dit niet leidde tot een schending van artikel 7:9 Awb. De aanvullingen betroffen geen nieuwe feiten of omstandigheden die van aanmerkelijk belang waren voor de beslissing op bezwaar. Bovendien waren enkele van deze referentieobjecten eerder door de belanghebbende zelf aangedragen, waardoor een nadere hoorzitting niet noodzakelijk werd geacht.
Wat betreft de vastgestelde WOZ-waarde, bevestigde het hof dat de Heffingsambtenaar met de matrix en de toelichting daarop aan de bewijslast had voldaan. Er was voldoende rekening gehouden met verschillen tussen de woning en vergelijkingsobjecten, zoals balkons en loggia’s, zonder dat dit tot een te hoge waardering leidde. Het hof concludeerde dat de correcties voor eventuele waardeverminderende omstandigheden, zoals een beschadigde vloertegel, niet van invloed waren op de totale waardebepaling.
Het hof verwierp ook de klacht dat de rechtbank haar uitspraak onvoldoende had gemotiveerd, aangezien in geval van bevestiging van de uitspraak door het hof, de gronden daarvoor in de hofuitspraak worden opgenomen.
De uitspraak van de rechtbank werd bekrachtigd, en het hoger beroep werd ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling. Beide partijen kunnen binnen zes weken na de uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




