De zaak in het kort
In een arrest van de Hoge Raad der Nederlanden, gepubliceerd op 27 februari 2026, staat de uitleg van artikel 40, lid 2, van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) centraal. De zaak betrof een beroep in cassatie door een belanghebbende, [X], tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. De kwestie draaide om de vraag of bepaalde gegevens en correcties, zoals KOUDVL-factoren en indexeringspercentages, onder de informatieverplichting van de heffingsambtenaar vallen. De Hoge Raad maakte daarbij gebruik van eerdere jurisprudentie om de reikwijdte van de informatieverplichting helder te definiëren, met als doel om belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun bezwaar tegen een WOZ-beschikking effectief te onderbouwen.
Het verloop van het proces en de feiten
De heffingsambtenaar van de gemeente Dijk en Waard stelde de waarde van een woning in [Q] voor het kalenderjaar 2021 vast op € 657.000, wat tevens de basis vormde voor de aanslag in de onroerendezaakbelastingen. De belanghebbende maakte bezwaar tegen deze beschikking en verzocht om onderbouwing van de waardevaststelling, waaronder de KOUDVL-factoren (kwaliteit, onderhoud, uitstraling, doelmatigheid, voorzieningen en ligging) en indexeringspercentages. In de bezwaarprocedure werd een taxatiematrix verstrekt, die de afwijkingen van gemiddelde factoren aangaf, maar zonder specifieke correctiefactoren of een gedetailleerde onderbouwing van de indexeringspercentages.
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat de heffingsambtenaar aan zijn verplichtingen had voldaan en dat artikel 40 van de Wet WOZ niet was geschonden. Het hof wees erop dat de belanghebbende niet voldoende specifiek had verzocht om bepaalde gegevens, zoals de data van verkoopovereenkomsten van vergelijkingsobjecten. Tevens werd de klacht over de KOUDVL-correcties afgewezen, omdat de correcties volgens het hof geen vaste percentages vereisten en berustten op de subjectieve inschatting van de taxateur.
De zaak werd vervolgens in cassatie gebracht bij de Hoge Raad, die eerder in een arrest van 31 mei 2024 bepaalde dat de heffingsambtenaar verplicht is om bepaalde gegevens te verstrekken die aan de waardevaststelling ten grondslag liggen, mits daar specifiek om is gevraagd.
De beslissing van de rechtbank.
De Hoge Raad herzag de uitleg van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ en stelde dat de verplichting van de heffingsambtenaar om gegevens te verstrekken, enkel geldt voor gegevens die daadwerkelijk zijn gebruikt bij de waardevaststelling en in een stuk zijn vastgelegd. Dit omvat objectieve kenmerken van de woning en vergelijkingsobjecten, alsmede gegevens over toegepaste correcties en modelwaardes, indien die in stukken zijn vastgelegd.
De Hoge Raad oordeelde dat de heffingsambtenaar niet verplicht is om gegevens te verstrekken die zijn gebaseerd op subjectieve inschattingen of kennis en ervaring van de taxateur, omdat deze niet als vastgelegde gegevens kunnen worden beschouwd. Bovendien stelde de Hoge Raad dat de heffingsambtenaar aan zijn informatieplicht voldoet door het verstrekken van gegevens waaruit belanghebbenden de noodzakelijke factoren kunnen afleiden, zoals de indexeringspercentages.
Het cassatieberoep werd gedeeltelijk verworpen, met uitzondering van de klacht over de immateriële schadevergoeding. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof Amsterdam de immateriële schadevergoeding ten onrechte had gematigd en bevestigde de oorspronkelijke vergoeding van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn door de heffingsambtenaar.
Dit arrest van de Hoge Raad verduidelijkt de reikwijdte van artikel 40 van de Wet WOZ en legt een belangrijke basis voor toekomstige bezwaarprocedures tegen WOZ-beschikkingen, door te benadrukken welke gegevens wel en niet onder de informatieverplichting van de heffingsambtenaar vallen.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




