De zaak in het kort
De rechtbank Amsterdam heeft geoordeeld in een civiele zaak waarin een koper, aangeduid als [eiser], een schadevergoeding vorderde van ING Bank N.V. na de aankoop van een woning via een executieveiling. De schade zou zijn ontstaan tussen de datum van gunning en de levering van de woning. [eiser] eiste € 668.000,- voor ontbrekende en beschadigde inboedel. ING Bank betwistte de aansprakelijkheid, waarbij ze verwees naar de verkoopvoorwaarden die stipuleerden dat de woning “as is, where is” werd verkocht en er geen bewijs was dat de schade voor de levering was ontstaan.
Het verloop van het proces en de feiten
Het proces begon met een dagvaarding op 24 juni 2025, waarin [eiser] de schadevergoeding eiste. De mondelinge behandeling vond plaats op 13 november 2025. De zaak draaide om de woning die ING via een online executieveiling had verkocht. [eiser] bracht op 23 januari 2025 een bod uit, dat op 30 januari 2025 werd geaccepteerd. De levering vond plaats op 20 februari 2025. Op 3 maart 2025 ontdekte [eiser] schade aan de woning, waaronder ontbrekende lades en een beschadigd zoutwateraquarium.
De voorwaarden van de executieveiling, waaronder de Algemene Voorwaarden Voor Executieverkopen 2017 (AVVE), waren cruciaal. Deze voorwaarden bepaalden dat de koper de woning accepteerde in de staat waarin deze zich bevond bij levering. Ze bepaalden ook dat de verkoper de levering kon uitstellen indien schade voor het risico-overgangsmoment ontstond. [eiser] stelde dat de schade tussen koop en levering was ontstaan en baseerde zijn vordering op een vermeende tekortkoming in de zorgplicht van ING.
ING voerde aan dat de woning “as is, where is” was verkocht en betwistte dat de schade niet al bestond tijdens de verkoop. ING voerde ook aan dat een deel van de ontbrekende items roerende zaken waren en geen onderdeel van de veiling. Bovendien lag volgens ING het risico van de woning bij [eiser] vanaf de levering.
De beslissing van de rechtbank.
De rechtbank beoordeelde of de schade daadwerkelijk was ontstaan tussen de koop en de levering van de woning en of ING daarvoor aansprakelijk was. De rechtbank stelde vast dat het risico op schade op 20 februari 2025 van ING naar [eiser] was overgegaan. De rechtbank vond echter dat [eiser] onvoldoende bewijs had geleverd dat de schade tussen de koop en levering was ontstaan. Hoewel [eiser] getuigenverklaringen had overgelegd, waren deze volgens de rechtbank onvoldoende overtuigend.
De rechtbank oordeelde dat [eiser] niet had voldaan aan zijn stelplicht en bewijslast om aan te tonen dat de schade al voor de levering aanwezig was. De aanwezigheid van een huurder tot 2 maart 2025 en het gebrek aan bewijs dat de schade voor levering was ontstaan, werkten in het nadeel van [eiser]. De rechtbank wees ook de argumenten van [eiser] over zorgplicht en redelijkheid en billijkheid af, omdat deze onvoldoende waren onderbouwd.
Uiteindelijk wees de rechtbank alle vorderingen van [eiser] af. ING werd niet aansprakelijk geacht voor de schade. [eiser] werd veroordeeld tot het betalen van de proceskosten van ING, die werden begroot op € 14.043,00, inclusief griffierechten, advocaatkosten en nakosten. Het vonnis werd uitgesproken als uitvoerbaar bij voorraad, wat betekent dat het direct ten uitvoer kan worden gelegd, ondanks eventuele hoger beroepen.
Deze zaak onderstreept de complexiteiten bij de aankoop van vastgoed via executieveilingen en de noodzaak voor kopers om zich bewust te zijn van de risico’s en voorwaarden die gepaard gaan met dergelijke transacties. Het benadrukt ook het belang van duidelijke en overtuigende bewijzen bij het claimen van schadevergoedingen in civiele zaken.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




