De zaak in het kort
In de uitspraak met ECLI-nummer
Het verloop van het proces en de feiten
Het proces begint met de indiening van dagvaardingen op 25 maart 2025 door [eiser], met betrekking tot een appartement aankoop op 30 juni 2023 van [gedaagde]. De aangekochte woning is gelegen aan [adres 1] en betreft een begane grond appartement. Na de levering van het appartement op 4 september 2023, wordt [eiser] geconfronteerd met een aansprakelijkstelling door de Vereniging van Eigenaars [naam VvE 1] tegen [naam VvE 2]. De aansprakelijkstelling heeft betrekking op schade door werkzaamheden aan een gemeenschappelijke muur, uitgevoerd door de vorige bewoner van een bovenwoning, de heer [naam].
In de hoofdzaak vordert [eiser] dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot een hoofdelijke betaling van € 25.000,00, exclusief wettelijke rente en proceskosten. In het incident verzoekt [gedaagde] om [naam] in vrijwaring op te roepen vanwege zijn verantwoordelijkheid voor de schade. [gedaagde] stelt dat [naam] in een e-mail van 15 augustus 2019 heeft aangegeven alle verantwoordelijkheid voor de werkzaamheden en de gevolgen daarvan op zich te nemen, in plaats van de VvE.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank beoordeelt het verzoek tot oproeping in vrijwaring op basis van artikel 210 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het verzoek is tijdig ingediend, namelijk vóór alle weren. Voor toewijzing van de vordering moet [gedaagde] aantonen dat er een rechtsverhouding is met [naam] die een verplichting tot vrijwaring inhoudt. Hoewel het bestaan van deze rechtsverhouding nog niet definitief is vastgesteld, is er voldoende reden om aan te nemen dat [gedaagde] een regresvordering op [naam] kan hebben.
De rechtbank vindt dat de mogelijke vertraging door de vrijwaring niet onaanvaardbaar is en wijst de incidentele vordering toe. [gedaagde] mag [naam] in vrijwaring oproepen tegen een zitting op 4 november 2025, rekening houdend met een oproeptermijn van vier weken in verband met betekening in Portugal.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank [eiser] in de proceskosten van het incident, begroot op € 271,50, bestaande uit salaris voor de gemachtigde en nakosten. [eiser] moet deze kosten binnen veertien dagen na aanschrijving betalen. Als zij niet tijdig betaalt en het vonnis wordt betekend, moet zij ook de betekeningkosten voldoen.
De zaak in de hoofdzaak wordt aangehouden voor verdere behandeling op 21 oktober 2025, wanneer [gedaagde] een conclusie van antwoord moet indienen. De rechtbank houdt elke verdere beslissing in de hoofdzaak aan. Het vonnis in het incident is uitgesproken door kantonrechter mr. J.T. Kruis, bijgestaan door griffier mr. N. Noordmans, op 23 september 2025.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




