De zaak in het kort
In deze zaak heeft de verzoeker, een appartementseigenaar en voormalig bestuurder van een Vereniging van Eigenaren (VvE), de rechtbank verzocht om diverse besluiten van de VvE nietig te verklaren of te vernietigen. Het geschil draait om de benoeming van een nieuw bestuur en kascommissie van de VvE, alsmede de afwijzing van een voorstel om een extern bureau te benoemen voor het beheer en bestuur van de VvE. Tevens werd een verzoek ingediend voor het plaatsen van een hekwerk rondom buitenunits voor warmtepompen en airco-installaties. De verzoeker stelde dat de besluiten in strijd waren met de statuten van de VvE en de redelijkheid en billijkheid.
Het verloop van het proces en de feiten
De verzoeker diende op 17 april 2025 een verzoekschrift in bij de rechtbank, strekkende tot vernietiging dan wel nietigverklaring van besluiten van de VvE-vergadering op 19 maart 2025. Tijdens deze vergadering was de verzoeker afgetreden als bestuurder en waren er nieuwe bestuurders en kascommissieleden benoemd. De verzoeker stelde dat de besluiten in strijd waren met de splitsingsakte en de procedurevoorschriften van de VvE. Daarnaast verzocht hij om een machtiging voor het benoemen van een extern bureau voor het beheer en bestuur van de VvE en om een hekwerk te plaatsen rondom buitenunits.
De feiten in deze zaak omvatten de splitsing van een perceel in appartementsrechten en de oprichting van de VvE in 2022. De verzoeker was bij de splitsing benoemd tot eerste bestuurder van de VvE. Een verzoek van zes appartementseigenaars om een ledenvergadering bijeen te roepen, werd in eerste instantie door de verzoeker afgewezen vanwege het ontbreken van ondertekende verklaringen. Uiteindelijk riep een van de appartementseigenaars zelf een vergadering bijeen, waarop de besluiten werden genomen die de verzoeker nu betwist.
Tijdens de mondelinge behandeling op 11 september 2025 werden de standpunten van beide partijen verder toegelicht. De VvE voerde aan dat de vergadering rechtsgeldig was bijeengeroepen en dat de besluiten in overeenstemming waren met de regels en statuten.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank kwam tot de conclusie dat de verzoeken van de verzoeker moesten worden afgewezen. Ten aanzien van de nietigverklaring van de besluiten oordeelde de kantonrechter dat er geen sprake was van strijd met de wet of de statuten die nietigheid zou rechtvaardigen. De gronden voor nietigheid die de verzoeker aanvoerde, waren onvoldoende onderbouwd.
Wat betreft de vernietiging van de besluiten vanwege strijd met de regels voor de totstandkoming en de redelijkheid en billijkheid, vond de rechtbank dat de VvE de vergadering rechtsgeldig bijeen had geroepen. De VvE was bevoegd om zelf een vergadering bijeen te roepen, aangezien het bestuur niet tijdig had gereageerd op het verzoek van de appartementseigenaars. Er was ook geen vereiste dat elke verzoeker individueel het verzoek moest ondertekenen.
De kantonrechter oordeelde verder dat de verzoeker onvoldoende had aangetoond dat de besluiten in strijd waren met de redelijkheid en billijkheid. De gestelde kritiekpunten over de nieuwe bestuursleden waren niet voldoende om aan te tonen dat de besluiten onredelijk waren. De VvE had binnen haar verantwoordelijkheid gehandeld, en de door de verzoeker aangevoerde punten konden tijdens vergaderingen worden besproken en in stemming worden gebracht.
Ten aanzien van het verzoek om een extern bureau te benoemen voor het beheer en bestuur van de VvE, oordeelde de kantonrechter dat de VvE een redelijke grond had om dit af te wijzen, gezien de kosten die hiermee gepaard gingen en de afwijzing van het voorstel door de meerderheid van de appartementseigenaars. Wat betreft het plaatsen van het hekwerk, had de verzoeker nog geen concreet voorstel voorgelegd aan de vergadering van de VvE, wat een redelijke grond voor weigering opleverde.
De rechtbank veroordeelde de verzoeker in de proceskosten, aangezien hij in het ongelijk was gesteld. De totale proceskosten werden begroot op € 609,50. De kostenveroordeling werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de verzoeker deze kosten binnen 14 dagen na betekening van het vonnis moet voldoen. De beschikking werd in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2025 door mr. I.M. Bilderbeek.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




