De zaak in het kort
In deze zaak stond een geschil binnen een Vereniging van Eigenaars (VvE) centraal. De verzoeker, tevens een van de appartementseigenaars en voormalig bestuurder van de VvE, betwistte de besluiten die tijdens een ledenvergadering van de VvE waren genomen. Hij verzocht de rechtbank om deze besluiten nietig te verklaren of te vernietigen. De verzoeker had issues met de benoeming van een nieuw bestuur en een kascommissie, en hij wilde een vervangende machtiging verkrijgen voor het benoemen van een extern bestuur en het plaatsen van een hekwerk. De kantonrechter in Amsterdam moest beslissen over de rechtmatigheid van deze VvE-besluiten en de verzoeken van de voormalige bestuurder.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een verzoekschrift van de verzoeker op 17 april 2025, waarin hij de vernietiging of nietigverklaring van besluiten van een VvE-vergadering van 19 maart 2025 aanvroeg. Hij wilde eveneens een vervangende machtiging op basis van artikel 5:121 Burgerlijk Wetboek (BW) verkrijgen. De VvE diende een verweerschrift in en de mondelinge behandeling vond plaats op 11 september 2025, waarbij beide partijen hun standpunten nader toelichtten.
De feiten waren als volgt: het perceel grond met een gebouw was gesplitst in 32 appartementsrechten. De bouw was begeleid door een Bouwgroep Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO) en voltooid op 22 april 2024. De verzoeker was medeoprichter en bestuurder van de VvE. Er ontstond een conflict over de oproeping van een VvE-vergadering door een groep appartementseigenaars, waarna de verzoeker aftrad als bestuurder tijdens de vergadering van 19 maart 2025. Tijdens die vergadering werden nieuwe bestuurders en een kascommissie benoemd, tegen de wil van de verzoeker, die bezwaar maakte tegen de procedure en de uitkomst.
De verzoeker stelde dat de besluiten nietig of vernietigbaar waren wegens strijd met de splitsingsakte en de redelijkheid en billijkheid. Hij vond dat de vergaderbesluiten niet waren genomen volgens de geldende regels en dat er sprake was van onbehoorlijk bestuur door de nieuw benoemde leden. Daarnaast wilde hij een externe partij inschakelen voor het beheer van de VvE en een hekwerk plaatsen rondom zijn buitenunits.
De beslissing van de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van nietigheid van de besluiten. De bepalingen omtrent de oproeping en agendering van de vergadering konden hooguit leiden tot vernietigbaarheid, niet tot nietigheid. De verzoeker had niet aangetoond hoe de vermeende schendingen van de agenderingsregels zijn belangen schaadden. De rechtbank vond dat de besluiten in redelijkheid en billijkheid waren genomen, ondanks de bezwaren van de verzoeker. De kritiek op de nieuwe bestuurders was onvoldoende om de besluiten als onredelijk te beschouwen.
Ook het verzoek om een vervangende machtiging voor het inschakelen van een externe beheerder werd afgewezen. De VvE had tijdens de vergadering overwogen dat de kosten voor een externe partij te hoog waren, wat een redelijke grond voor weigering was. Betreffende het hekwerk oordeelde de rechtbank dat de verzoeker eerst een concreet plan aan de VvE moest voorleggen voordat een rechterlijke machtiging kon worden overwogen.
De kantonrechter wees alle verzoeken van de verzoeker af en veroordeelde hem in de proceskosten, begroot op € 609,50. De rechtbank benadrukte dat een minderheid binnen een VvE zich moet neerleggen bij democratisch genomen besluiten, zelfs als deze ongunstig zijn voor die minderheid. De uitspraak maakte duidelijk dat interne VvE-procedures en de bijbehorende democratische besluitvorming een grote mate van autonomie genieten, en dat de rechter slechts marginaal toetst op redelijkheid en billijkheid.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




