De zaak in het kort
Op 31 maart 2025 heeft de rechtbank Amsterdam een beslissing genomen over een wrakingsverzoek ingediend door een bewindvoerder namens een verzoeker. Het verzoek was gericht tegen kantonrechter mr. B.T. Beuving. Het wrakingsverzoek werd uiteindelijk niet-ontvankelijk verklaard door de rechtbank. De beslissing was gebaseerd op het ontbreken van feiten of omstandigheden die de onpartijdigheid van de rechter in twijfel konden trekken, wat volgens de rechtbank essentieel is om een wrakingsverzoek te onderbouwen.
Het verloop van het proces en de feiten
Het wrakingsverzoek werd ingediend op 18 maart 2025 en op 19 maart 2025 doorgezonden naar de Wrakingskamer van de rechtbank Amsterdam. De achtergrond van het wrakingsverzoek heeft te maken met een eerdere zaak waarbij een wrakingsverzoek tegen een andere kantonrechter was toegewezen. In deze eerdere situatie werd de zaak verwezen naar een andere kantonrechter, en moest de mondelinge behandeling opnieuw worden gepland. De gemachtigde van de verzoeker bracht naar voren dat de zaak formeel nog niet was aangebracht en dat er volgens hen eerst een dagvaarding moest worden uitgebracht om de procedure correct te starten.
In de brief van 17 maart 2025 werd door de rechtbank meegedeeld dat de zaak, die oorspronkelijk was ingesteld bij de rechtbank Noord-Holland, inmiddels in behandeling was bij mr. B.T. Beuving in Amsterdam. Dit was echter afhankelijk van het uitbrengen van een exploot door een van de partijen, wat tot op dat moment nog niet was gebeurd. De verzoeker stelde dat de rechter die de zaak in behandeling nam blijk gaf van partijdigheid, aangezien de zaak niet correct was aangebracht en er verschillende procedurele fouten waren gemaakt.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van omstandigheden die de onpartijdigheid van de rechter in twijfel trokken. De rechtbank verklaarde het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk. Het uitgangspunt in dergelijke procedures is dat een rechter vermoed wordt onpartijdig te zijn, tenzij het tegendeel bewezen kan worden. De verzoeker had zijn verzoek gebaseerd op vermeende onjuiste mededelingen in de correspondentie van de rechtbank, maar de rechtbank vond geen bewijs van partijdigheid in de context van de zaak.
De rechtbank benadrukte dat de mededelingen over de behandeling van de zaak niet meer inhielden dan dat de zaak aan de rechter was toegewezen voor behandeling, zodra de procespartijen op de juiste wijze waren opgeroepen. Bovendien was er geen onderbouwing geleverd voor de stelling dat de rechter stukken van de VvE had achtergehouden voor de verzoeker. Omdat er geen feiten of omstandigheden waren die wezen op een aantasting van de rechterlijke onpartijdigheid, was een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek niet nodig.
De beslissing werd gegeven door de Wrakingskamer, bestaande uit mrs. P.B. Martens, N.C.H. Blankevoort en I.M. Bilderbeek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open, wat betekent dat er geen hoger beroep kan worden aangetekend. De uitspraak onderstreept de noodzaak van duidelijke en gegronde redenen bij het indienen van een wrakingsverzoek, en de toepassing van de anti-misbruikbepaling om onterechte verzoeken te voorkomen.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




