De zaak in het kort
In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam een uitspraak gedaan over een geschil tussen een eigenaar van een pand en de Vereniging van Eigenaren (VvE) over de kosten van funderingsherstel van een gemeenschappelijke muur. De rechtbank oordeelde dat de eigenaar van het buurpand, vertegenwoordigd door de VvE, verplicht is om bij te dragen aan de kosten van het funderingsherstel. Dit oordeel is gebaseerd op de bevindingen van een onafhankelijke deskundige, die vaststelde dat de fundering zodanig gebrekkig was dat herstel noodzakelijk was volgens artikel 5:65 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een dagvaarding van de eiser, de eigenaar van het pand, aan de VvE en enkele individuele gedaagden. De zaak betrof de noodzakelijkheid van funderingsherstel dat tussen 2020 en 2021 op initiatief van de eiser werd uitgevoerd. De rechtbank moest beslissen of de VvE verplicht was bij te dragen aan de kosten van het herstel van de gemeenschappelijke bouwmuur.
Tijdens de procedure heeft de rechtbank in twee tussenvonnissen vastgesteld dat er onvoldoende duidelijkheid was over de staat van de fundering ten tijde van het herstel. Daarom werd een deskundige, Ing. S. Boudestijn van De Funderingswinkel, aangesteld om de fundering te onderzoeken en een classificatie te geven volgens de F3O-richtlijn. De deskundige concludeerde dat de fundering als “onvoldoende” werd geclassificeerd, wat een herstel binnen één tot vijf jaar noodzakelijk maakte.
Na het uitbrengen van het deskundigenrapport hebben beide partijen hun standpunten kunnen toelichten. De eiser stelde dat de bevindingen van de deskundige zijn stellingen ondersteunden en dat de noodzaak voor herstel evident was. De VvE betwistte de conclusies van de deskundige en verzocht om aanvullende onderzoeken, met het argument dat de ernst van de situatie niet voldoende was aangetoond om herstel als noodzakelijk te beschouwen.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank heeft de bevindingen van de deskundige en de argumenten van beide partijen zorgvuldig beoordeeld. De rechtbank kwam tot de conclusie dat de staat van de fundering zodanig was dat herstel noodzakelijk was in de zin van artikel 5:65 BW. De rechtbank wees daarbij op meerdere gebreken aan de fundering, zoals ernstige doorbuigingen en breuken in het horizontale funderingshout, slecht metselwerk, en onvoldoende stabiliteit en samenhang van de verschillende funderingsonderdelen.
De rechtbank oordeelde dat de VvE c.s. verplicht waren om bij te dragen aan de kosten van het funderingsherstel. Het verweer van de VvE dat het herstel ook op een goedkopere manier had kunnen plaatsvinden werd verworpen, omdat dit als een nieuw standpunt in strijd was met de goede procesorde.
De rechtbank veroordeelde de VvE c.s. tot betaling van € 34.516,13 aan de eiser, vermeerderd met wettelijke rente, voor de kosten van het funderingsherstel. Daarnaast werden ze veroordeeld tot betaling van € 895,70 voor door de eiser gemaakte kosten ter vaststelling van de schade. De totale proceskosten, inclusief kosten voor de deskundige en advocaatkosten, werden door de rechtbank begroot op € 5.501,81, die eveneens door de VvE c.s. moeten worden voldaan.
De uitspraak van de rechtbank maakt duidelijk dat wanneer er sprake is van ernstige funderingsgebreken, de eigenaren van aanliggende panden gezamenlijk verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor de kosten van herstel. Deze beslissing benadrukt het belang van samenwerking en duidelijke afspraken tussen eigenaren van gemeenschappelijke bouwdelen.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



