De zaak in het kort
In deze juridische procedure voor de rechtbank Amsterdam, kantonrechter, heeft een individuele eigenaar van een appartementsrecht (hierna: verzoekster) een verzoek ingediend tegen de Vereniging van Eigenaren (VvE). Het betreft een geschil over besluiten die zijn genomen tijdens een vergadering van de VvE. Verzoekster eiste de nietigverklaring, dan wel vernietiging van bepaalde besluiten die betrekking hadden op de doorbelasting van reparatiekosten en het verhaal van uitgaven zonder mandaat op een voormalig bestuurslid. De rechtbank heeft deze verzoeken afgewezen en de proceskosten gecompenseerd.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een verzoekschrift dat verzoekster op 14 augustus 2025 indiende. Dit verzoekschrift strekte onder meer tot nietigverklaring of vernietiging van besluiten van een VvE-vergadering gehouden op 16 juli 2025. De VvE diende een verweerschrift in, waarna op 12 december 2025 een mondelinge behandeling plaatsvond. Tijdens deze zitting verschenen verzoekster in persoon en vertegenwoordigers van de VvE, waarbij standpunten nader werden toegelicht.
De feiten in deze zaak omvatten een reeks gebeurtenissen die zich uitstrekten over enkele jaren. Het appartementsrecht in kwestie maakt deel uit van een gebouw dat in 2006 werd gesplitst in 176 appartementsrechten. Verzoekster is eigenaar van een appartement op de achtste verdieping. In 2021 veroorzaakte een lekkage schade in dit appartement en op de eerste verdieping. De opstalverzekeraar keerde hiervoor een schadevergoeding uit aan de VvE, waarvan een deel aan verzoekster werd betaald.
De VvE had te maken met interne bestuursproblemen. Tijdens de vergadering van februari 2023 werd een nieuw bestuurslid verkozen, maar later dat jaar traden andere bestuursleden af, waardoor zij als enig bestuurslid overbleef. In november 2024 werd dit bestuurslid ontslagen, maar weigerde de administratie over te dragen, wat leidde tot een rechtszaak waarbij de overdracht werd afgedwongen.
In juni 2025 werden tijdens een VvE-vergadering besluiten genomen over de jaarrekening en de doorbelasting van kosten. Er was ook discussie over uitgaven die zonder mandaat waren gedaan door het voormalig bestuurslid. In de vergadering van juli 2025 werden deze besluiten formeel goedgekeurd, wat leidde tot het geschil in deze rechtszaak.
De beslissing van de rechtbank
Verzoekster vroeg de kantonrechter om de besluiten van de VvE nietig te verklaren op grond van artikel 2:14 van het Burgerlijk Wetboek (BW), of deze besluiten te vernietigen op basis van artikel 5:130 lid 1 jo. 2:15 lid 1 sub b BW. Ze stelde dat de besluiten in strijd waren met de vereisten van onpartijdige besluitvorming en rechtszekerheid. Verzoekster voerde aan dat de doorbelasting van bepaalde kosten en de uitbetaling van een schadevergoeding ten onrechte opnieuw in stemming waren gebracht.
De VvE bestreed deze verzoeken en betoogde dat de besluiten rechtsgeldig waren en dat verzoekster geen belang had bij vernietiging ervan. De kantonrechter oordeelde dat verzoekster onvoldoende had onderbouwd waarom de besluiten nietig zouden zijn. Het enkele verwijzen naar artikel 2:14 BW was volgens de rechter onvoldoende, en verzoekster had niet aangetoond met welke specifieke wettelijke regels of bepalingen uit de splitsingsakte de besluiten in strijd zouden zijn.
Wat betreft het verzoek tot vernietiging van het besluit over de doorbelasting van reparatiekosten, stelde de rechtbank vast dat verzoekster geen redelijk belang had bij vernietiging van het besluit. De bedragen die in verband met de bestuursperiode van het voormalig bestuurslid waren genoemd, waren volgens de VvE niet bedoeld om op verzoekster te verhalen, en verzoekster had deze toelichting niet weersproken.
Met betrekking tot het verzoek om vernietiging van het besluit over het verhalen van ongemandateerde uitgaven op het voormalig bestuurslid, oordeelde de rechtbank dat verzoekster geen redelijk belang had bij vernietiging. De uitkering die verzoekster had ontvangen, was niet gebaseerd op een besluit van de VvE-vergadering, en verzoekster had geen vernietiging of nietigverklaring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening gevraagd.
De kantonrechter besloot tevens dat het verzoek van verzoekster om te bepalen dat het VvE-bestuur het schadedossier administratief moet verwerken niet toewijsbaar was, omdat de rechter alleen bevoegd is te oordelen over besluitvorming die binnen de reikwijdte van de artikelen 2:14 en 2:15 BW valt.
Tot slot compenseerde de kantonrechter de proceskosten tussen partijen, omdat de VvE pas tijdens de mondelinge behandeling voldoende toelichting had gegeven. De rechtbank wees alle verzoeken van verzoekster af en droeg elke partij op de eigen kosten te dragen.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



