###
De zaak in het kort
In deze zaak vordert de eiser de nakoming van een koopovereenkomst voor een pand dat hij aan de gedaagden heeft verkocht. De gedaagden hadden een bod gedaan om het pand te kopen, dat de eiser had aanvaard. Echter, de gedaagden weigerden later het pand af te nemen, met als reden dat het pand niet volledig als woonruimte kon worden gebruikt en er onzekerheid was over de toestemming van de Vereniging van Eigenaren (VvE) voor een dakopbouw. De eiser vordert dat de koopovereenkomst wordt nagekomen, terwijl de gedaagden betogen dat er niet voldaan is aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:2 van het Burgerlijk Wetboek, wat vereist is voor de verkoop van een onroerende zaak aan een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure is gestart met een dagvaarding van de eiser op 26 januari 2026. De mondelinge behandeling vond plaats op 5 februari 2026, waarbij beide partijen hun standpunten toelichtten. De eiser is eigenaar van twee appartementsrechten van het pand dat hij te koop aanbood via Funda. De gedaagden boden de vraagprijs van € 699.000,– zonder financieringsvoorbehoud aan. Er was aanvankelijk geen bezichtiging gepland door de gedaagden, maar zij verklaarden het pand al te kennen omdat hun vennootschap eerder het bedrijfsgedeelte ervan had gehuurd.
Er werd een eerste concept koopakte opgesteld door de notaris, maar er was nog geen exacte leveringsdatum vastgesteld. Later werd afgesproken dat de levering op 3 januari 2026 zou plaatsvinden. Een vertragingsvergoeding van € 8.080,– werd overeengekomen. Echter, de tweede concept koopakte vermeldde niet langer de gedaagden als kopers, maar hun vennootschap, wat de eiser desondanks accepteerde. De gedaagden weigerden uiteindelijk het pand af te nemen omdat het niet volledig als woonruimte kon worden gebruikt.
De eiser betoogt dat de koopovereenkomst is gesloten en nagekomen moet worden, terwijl de gedaagden stellen dat er geen schriftelijke overeenkomst is zoals vereist door artikel 7:2 BW. De eiser meent dat dit artikel niet van toepassing is omdat het pand niet louter als woonruimte bestemd is, en de gedaagden het als belegging kochten.
De beslissing van de rechtbank
De voorzieningenrechter oordeelt dat de gedaagden als consument-kopers bescherming genieten onder artikel 7:2 BW. Het schriftelijkheidsvereiste is van toepassing omdat het pand, al dan niet gedeeltelijk, een woonbestemming heeft en de gedaagden het voor hun schoonmoeder wilden aanschaffen. Het feit dat de gedaagden het pand niet zelf zouden bewonen, doet daar niets aan af. De rechter wijst erop dat het schriftelijkheidsvereiste ook geldt voor tweede woningen en woningen die voor familieleden worden gekocht.
De rechter concludeert dat de koopovereenkomst tussen de eiser en de gedaagden niet schriftelijk is vastgelegd en dat de door de eiser gestelde overeenkomst daarom nietig is. De vordering van de eiser om de koopovereenkomst na te komen wordt afgewezen. Ook de vordering met betrekking tot de vertragingsvergoeding wordt afgewezen, aangezien deze onlosmakelijk is verbonden met de nietige koopovereenkomst.
De eiser wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de gedaagden, die zijn begroot op € 2.780,00. Dit bedrag moet binnen veertien dagen worden betaald, verhoogd met bijkomende kosten indien niet tijdig voldaan. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




