De zaak in het kort
In deze zaak, behandeld door de rechtbank Amsterdam, stond de vraag centraal of de bovenburen van eiseres hun houten vloer moesten vervangen vanwege geluidsoverlast. Eiseres ervoer hinder afkomstig van de bovenburen, die een houten vloer hadden laten leggen in strijd met het Modelreglement van de vereniging van eigenaars (VvE). Het verzoek van de eiseres om de vloer te laten vervangen werd toegewezen, maar haar verzoek om immateriële schadevergoeding werd afgewezen.
Het verloop van het proces en de feiten
Eiseres, sinds 2015 eigenaar van een appartement op de begane grond, ondervond geluidsoverlast door de bovenburen die in 2023 een appartement boven haar betrokken. Het gebouw is in 1886 gebouwd en in 2010 opgesplitst in drie appartementsrechten, waarbij het Modelreglement uit 2006 van toepassing werd verklaard. Volgens artikel 26 van dit reglement mogen vloeren geen onredelijke hinder veroorzaken en is het leggen van parketvloeren zonder adequate geluidsisolatie verboden.
De voormalige eigenaar van het bovenliggende appartement had in 2013 een nieuwe houten vloer gelegd, en kort na hun verhuizing in 2023 maakten de nieuwe bovenburen, [gedaagden], gebruik van deze vloer. Eiseres meldde overlast door het lawaai van rennen en springen, voornamelijk veroorzaakt door de dochter van [gedaagden]. Ondanks bemiddelingspogingen besloot [gedaagden] af te zien van technische aanpassingen aan de vloer.
Eiseres liet daarop geluidsonderzoeken uitvoeren die aantoonden dat de vloer niet voldeed aan de normen voor geluidsisolatie. Het rapport van Geluidconsult bevestigde herhaaldelijke overschrijdingen van de geluidsgrenzen. [gedaagden] betwistten de resultaten van dit onderzoek, maar de rechtbank achtte de rapporten van eiseres overtuigend genoeg.
De beslissing van de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat de houten vloer van [gedaagden] niet voldeed aan de eisen van het Modelreglement en dat deze moest worden vervangen. Het beroep van [gedaagden] op de uitzonderingsclausule van artikel 26 lid 3 van het Modelreglement werd verworpen, aangezien de vloer na de splitsing van het gebouw was vervangen en niet voldeed aan de eisen voor geluidsisolatie.
De rechtbank gaf eiseres gelijk en bepaalde dat [gedaagden] hun vloer binnen twee maanden moesten vervangen om te voldoen aan de geluidsnormen zoals afgesproken in de zitting. Voor elke dag vertraging zou een dwangsom van €200 worden opgelegd, met een maximum van €30.000. De rechtbank wees ook een materiële schadevergoeding toe voor de kosten die eiseres had gemaakt om de geluidsoverlast aan te tonen, maar wees de immateriële schadevergoeding af omdat de noodzakelijke juridische criteria niet waren vervuld.
Verder verwees de rechtbank de zaak door naar een schadestaatprocedure voor andere door eiseres beweerde schadeposten, zoals gederfde huurinkomsten en kosten voor dubbele verhuizing. De tegenvordering van [gedaagden] om ook de vloer van eiseres te laten vervangen werd afgewezen wegens onvoldoende belang, aangezien er geen bewijs van overlast was door de vloer van eiseres. De proceskosten van de conventie werden toegewezen aan eiseres, terwijl de proceskosten in reconventie werden gecompenseerd.
Uiteindelijk bevestigde een aanvullend vonnis de verwijzing naar de schadestaatprocedure voor de overige schadeposten, waarmee de rechtbank de eerder gemiste beslissing corrigeerde. De uitspraak werd bekrachtigd met het oog op de noodzaak om de ontstane situatie te herstellen en de overlast voor eiseres te beëindigen.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




