De zaak in het kort
In een kort geding bij de rechtbank Amsterdam heeft de voorzieningenrechter beslist dat eigenaren van een woning hun geplande bouwplannen voor het verhogen en uitbouwen van hun huis voorlopig niet mogen uitvoeren. De Vereniging van Eigenaren (VvE) en enkele individuele appartementseigenaren hebben gevraagd om een verbod op de bouwplannen van de eigenaren, [gedaagde 1] en [gedaagde 2], vanwege de verwachte onrechtmatige hinder die de bouw zou veroorzaken. De rechter heeft het verzoek van de VvE toegewezen en verboden dat de bouw doorgaat totdat er een definitieve uitspraak in een bodemprocedure is. Aan de uitspraak is een flinke dwangsom verbonden voor het geval de eigenaren toch overgaan tot bouwen.
Het verloop van het proces en de feiten
De VvE en diverse appartementseigenaren hebben op 20 februari 2026 een kort geding aangespannen tegen de eigenaren van een woning aan de [adres 2]. De VvE vreest dat de uitvoering van de bouwplannen, waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, leidt tot onrechtmatige hinder voor de bewoners in het naastgelegen pand. De bezwaren van de VvE zijn gebaseerd op een door hen overgelegd bezonnings-, daglicht- en uitzichtonderzoek. Volgens dit onderzoek zou de bouw resulteren in significant minder daglicht, zonlicht en uitzicht voor de naburige appartementseigenaren.
Tijdens de zitting van 2 maart 2026 hebben beide partijen hun standpunten toegelicht. De eigenaren van de woning hebben verweer gevoerd tegen de vordering, maar volgens de voorzieningenrechter hebben zij onvoldoende tegenbewijs geleverd om de bevindingen van het door de VvE overgelegde onderzoek te weerleggen. De voorzieningenrechter heeft daarom besloten dat er een reëel risico bestaat dat een bodemprocedure zal resulteren in een oordeel dat de bouwplannen onrechtmatige hinder veroorzaken.
De beslissing van de rechtbank
De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de belangen van de naburige appartementseigenaren zwaarder wegen dan die van de eigenaren van de woning. Het risico op onomkeerbare gevolgen van de bouw, zoals het verlies van daglicht en uitzicht, rechtvaardigt volgens de rechter het verbod op de uitvoering van de bouwplannen. De rechter heeft de eigenaren verboden om het bouwplan uit te voeren totdat er een beslissing is genomen in een bodemprocedure. Aan dit verbod is een dwangsom gekoppeld van € 200.000 ineens en € 50.000 voor iedere dag dat de eigenaren in gebreke blijven, met een maximum van € 1.000.000.
Daarnaast zijn de eigenaren van de woning veroordeeld tot betaling van de proceskosten, die zijn begroot op € 2.255,09. Dit bedrag omvat de kosten van de dagvaarding, het griffierecht, het salaris van de advocaten en de nakosten. De rechter heeft bepaald dat de eigenaren deze kosten binnen veertien dagen na aanschrijving moeten betalen, vermeerderd met de wettelijke rente indien betaling uitblijft.
De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct kan worden uitgevoerd, ongeacht eventuele hoger beroep. De voorzieningenrechter heeft tevens vastgesteld dat de veroordeling hoofdelijk is, zodat beide eigenaren gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het voldoen aan de financiële verplichtingen uit de uitspraak. Tot slot wijst de rechtbank alle andere of aanvullende vorderingen af.
Deze uitspraak onderstreept het belang van zorgvuldige afweging van belangen bij bouwplannen die mogelijk hinder veroorzaken voor naburige panden. De uitspraak geeft aan dat het risico op blijvende hinder een zwaarwegende factor is in het toewijzen van voorlopige maatregelen in kort geding.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




