De zaak in het kort
De rechtbank Amsterdam heeft in een bestuursrechtelijke zaak geoordeeld dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam terecht een verzoek om handhaving vanwege geluidsoverlast heeft afgewezen. De eiser, die woonachtig is in een gebouw met een nieuw stadsverwarmingssysteem, stelde dat de installatie geluidsoverlast veroorzaakte die in strijd is met het Bouwbesluit 2012. De rechtbank oordeelde echter dat er geen overschrijding van de geluidsnormen was geconstateerd en dat er geen sprake was van een overtreding van het Bouwbesluit.
Het verloop van het proces en de feiten
De eiser diende op 19 oktober 2023 een handhavingsverzoek in bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam vanwege geluidsoverlast sinds de installatie van een nieuw stadsverwarmingssysteem in zijn gebouw. Hij voegde een controlerapport van de Omgevingsdienst bij, waaruit bleek dat er piekgeluiden waren gemeten in zijn woning. De Omgevingsdienst stelde echter dat zij niet bevoegd was om handhavend op te treden.
Het college wees het verzoek op 30 oktober 2023 af, omdat het om bestaande bouw ging waarvoor in het Bouwbesluit 2012 geen geluidsnormen zijn opgenomen. De eiser maakte bezwaar en ondersteunde dat met een rapport waarin stond dat het geluid van de waterleidingen vaak boven de norm van 40 dB uitkwam. Het college verklaarde uiteindelijk het bezwaar gegrond en herroepen het besluit, maar stelde dat het niet voldoende had onderzocht waar het geluid vandaan kwam.
Na meerdere controles door toezichthouders in de woning van de eiser en de technische ruimte van het gebouw, stelde het college op 11 april 2025 opnieuw vast dat er geen overschrijding van de geluidsnorm van 40 dB was geconstateerd. Op basis daarvan wees het college het handhavingsverzoek opnieuw af.
De eiser ging in beroep tegen dit besluit en voerde aan dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan en dat het besluit in strijd was met diverse artikelen van de Algemene wet bestuursrecht. Hij ondersteunde zijn beroep met een nieuwe notitie waarin werd gesteld dat de geluidsnormen regelmatig werden overschreden door trillingen in de waterleiding.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank beoordeelde of het college het verzoek om handhaving terecht had afgewezen. De rechtbank oordeelde dat het beroep ongegrond was. Er werd vastgesteld dat het college voldoende onderzoek had verricht en dat er geen overtreding van wettelijke normen was geconstateerd. Tijdens de controles door toezichthouders werden de geluiden weliswaar waargenomen, maar ze kwamen niet boven de wettelijke norm van 40 dB uit.
De rechtbank volgde het standpunt van het college dat de nieuwe installatie zelf geen geluid produceerde dat de wettelijke grenzen overschreed. De geluidsoverlast die de eiser ervoer, was gerelateerd aan waterslag bij het gebruik van kranen, maar hiervoor zijn in het Bouwbesluit 2012 geen normen opgenomen. De leidingen, die onder ‘bestaande bouw’ vallen, hebben geen specifieke geluidsnormen in het Bouwbesluit. Hierdoor kon het college niet handhavend optreden.
De rechtbank concludeerde dat het college het verzoek om handhaving in redelijkheid kon afwijzen. Hoewel de overlast voor de eiser reëel was, betrof dit een privaatrechtelijke kwestie die niet via de bestuursrechtelijke weg kon worden opgelost. De eiser werd geadviseerd om zich tot de Vereniging van Eigenaren (VvE) te richten voor mogelijke oplossingen.
Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard, en er werd geen griffierecht of proceskostenvergoeding toegekend aan de eiser. De uitspraak werd gedaan door rechter mr. C.M. Delstra, met mr. I.N. van Soest als griffier, en werd op 9 maart 2026 uitgesproken. Partijen werden geïnformeerd over de mogelijkheid van hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




