De zaak in het kort
In een civiele procedure voor de rechtbank Amsterdam stonden de partijen [eiser] en [gedaagde] tegenover elkaar met betrekking tot de ontbinding van een koopovereenkomst voor een woning. [Eiser] had de woning op 21 november 2024 aan [gedaagde] verkocht voor € 287.500. Kort voor de geplande levering op 27 januari 2025 ontdekte [eiser] dat er gebreken waren, namelijk een niet goed functionerende radiator en vochtplekken op het plafond door lekkage. Ondanks pogingen van [eiser] om deze gebreken te verhelpen, besloot [gedaagde] de levering te annuleren. Beide partijen eisten ontbinding van de koopovereenkomst en de betaling van een contractuele boete van 10% van de koopsom, overeenkomend met € 28.750.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een dagvaarding van [eiser] op 7 mei 2025. [Eiser] vorderde de contractuele boete vanwege het niet nakomen van de overeenkomst door [gedaagde]. [Gedaagde] stelde echter dat [eiser] tekort was geschoten in het nakomen van haar verplichting om de woning vrij van gebreken op te leveren, en meende daarom gerechtigd te zijn tot ontbinding van de overeenkomst. [Gedaagde] had de levering geannuleerd, omdat zij vond dat de problemen met de radiator en de vochtplekken niet afdoende waren opgelost op het moment van levering.
Tijdens de procedure bleek dat [eiser] na het constateren van de gebreken meteen actie had ondernomen. De radiator was op 1 februari 2025 gerepareerd en de lekkage was op 6 februari 2025 verholpen door herstelwerkzaamheden bij de bovenburen. Desondanks had [gedaagde] op 21 februari 2025 per e-mail aangegeven de overeenkomst te willen ontbinden wegens een vermeende tekortkoming van [eiser].
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank oordeelde dat [gedaagde] op 21 februari 2025 niet gerechtigd was om de overeenkomst te ontbinden, omdat de door haar gestelde tekortkomingen niet voldoende ernstig waren en [eiser] adequaat had gehandeld om de gebreken te verhelpen. De rechtbank vond dat [eiser] op 18 maart 2025 terecht de koopovereenkomst had ontbonden, aangezien [gedaagde] haar verplichtingen niet was nagekomen door de woning niet af te nemen na herstel van de gebreken.
Hoewel de rechtbank erkende dat [eiser] recht had op de contractuele boete, werd deze gematigd van € 28.750 naar € 21.562,50, omdat de boete in verhouding tot de werkelijke schade als buitensporig werd beschouwd. De rechtbank hield rekening met het feit dat [eiser] haar woning uiteindelijk voor een hogere prijs had verkocht en dat er geen disproportionele schade was geleden door de ontbinding van de overeenkomst.
Daarnaast werden de proceskosten die [eiser] had gemaakt, toegekend en moest [gedaagde] deze betalen. De rechtbank wees de vorderingen van [gedaagde] af, omdat zij niet gerechtigd was de koopovereenkomst te ontbinden. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat het onmiddellijk uitvoerbaar is, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



