De zaak in het kort
In deze rechtszaak betrof het een conflict tussen appartementseigenaren en de eigenaar van een aangrenzend garagecomplex over het eigendom en gebruik van een schuurtje dat grenst aan beide eigendommen. De appartementseigenaren, aangeduid als [eisers], wilden dat de huidige gebruikers, [gedaagden], het schuurtje zouden ontruimen. Ze betoogden dat het schuurtje onderdeel uitmaakte van hun appartementsrecht. De eigenaar van het garagecomplex, [gedaagde 1], beriep zich op verjaring en stelde dat hij door verkrijgende verjaring eigenaar was geworden van het schuurtje. De rechtbank oordeelde dat het beroep op verjaring slaagde en dat de vordering tot ontruiming van [eisers] werd afgewezen.
Het verloop van het proces en de feiten
Het proces begon met een dagvaarding door [eisers] op 2 mei 2025, waarin zij de ontruiming van het achtste schuurtje eisten. Zij stelden dat dit schuurtje tot hun appartementsrecht behoorde en dat zij niet langer instemden met het gebruik ervan door [gedaagden]. Het schuurtje was onderdeel van een reeks schuurtjes die tegen de zuidoostelijke zijde van een garagecomplex waren gebouwd. Het betwiste schuurtje was in gebruik door [gedaagde 1], die het verhuurde aan [gedaagden 2 en 3].
In reconventie vorderde [gedaagde 1] een verklaring voor recht dat hij door verjaring eigenaar was geworden van het schuurtje. Hij stelde dat het schuurtje al sinds de bouw in 1958 onderdeel uitmaakte van het garagecomplex en dat hij en zijn rechtsvoorgangers het bezit continu hadden uitgeoefend sinds 1992. [eisers] betwistten deze claim, onder meer door te stellen dat de schuurtjes volgens de splitsingsakte uit 1978 tot hun appartementsrecht behoorden.
Tijdens de zitting op 13 oktober 2025 presenteerden beide partijen hun bewijzen en argumenten. [eisers] wezen op de historische eigendomssituatie en de situatie zoals vastgelegd in de splitsingsakte van 1978. [gedaagden] verwezen naar de lange gebruiksperiode van het schuurtje als onderdeel van het garagecomplex en brachten bewijsmateriaal zoals fotoās en bouwtekeningen in.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank oordeelde dat de vraag of het schuurtje tot het appartementsrecht van [eisers] behoorde niet beslissend was, omdat het beroep op verjaring door [gedaagde 1] gegrond was. De rechtbank stelde vast dat het schuurtje al meer dan 20 jaar door de eigenaar van het garagecomplex werd gebruikt en dat de verjaringstermijn was voltooid. Dit betekende dat [gedaagde 1] door bevrijdende verjaring eigenaar was geworden van het schuurtje. De rechtbank benadrukte dat voor dergelijke verjaring niet relevant was of het bezit te goeder trouw was, maar alleen dat het bezit onafgebroken 20 jaar had geduurd.
Omdat het beroep op verjaring slaagde, werd de vordering tot ontruiming door [eisers] afgewezen. [eisers] werden veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagden], begroot op ⬠1.737. In reconventie werd [gedaagde 1] echter niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering voor een verklaring voor recht, omdat niet alle appartementseigenaren partij waren in de procedure. Hierdoor werd [gedaagde 1] veroordeeld in de proceskosten van de reconventie, begroot op ⬠892.
De uitspraak benadrukt hoe het Nederlandse eigendomsrecht omgaat met kwesties van verjaring en de noodzaak voor betrokken partijen om tijdig actie te ondernemen wanneer eigendoms- of gebruiksrechten worden betwist. De uitspraak werd in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025 door de rechtbank Den Haag.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




