De zaak in het kort
De rechtbank Den Haag heeft een uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure waarin een verzoekster proceskostenvergoeding eiste van het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk. De aanleiding voor deze rechtsgang was het uitblijven van een beslissing op een door verzoekster ingediend Woo-verzoek (Wet open overheid). Ondanks dat het college uiteindelijk aan het verzoek tegemoetkwam door alsnog een besluit te nemen, werd de vraag voorgelegd of verzoekster recht had op vergoeding van de proceskosten. De rechtbank oordeelde dat de verlate beslissing van de verweerder in de eerste plaats aan hen te wijten was en kende de proceskostenvergoeding toe aan verzoekster.
Het verloop van het proces en de feiten
Verzoekster diende op 3 oktober 2024 een Woo-verzoek in bij de gemeente Rijswijk. Het verzoek betrof alle documenten met betrekking tot VVE-verklaringen (voor- en vroegschoolse educatie) sinds het meest recente beleidsstuk, inclusief interne en externe communicatie met consultatiebureaus. Volgens de Woo was de gemeente verplicht om binnen vier weken een beslissing te nemen, uiterlijk op 31 oktober 2024. Echter, de gemeente verzocht pas op de laatste dag van deze termijn om een nadere precisering van het verzoek, waarbij de termijn met twee weken werd opgeschort. Dit verzoek om precisering werd per ongeluk naar een verkeerd e-mailadres gestuurd en daardoor werd de opschorting van de termijn niet rechtsgeldig.
Verzoekster stuurde daarop een ingebrekestelling en diende op 20 december 2024 een beroep in vanwege het uitblijven van een beslissing. Uiteindelijk besloot de gemeente op 21 januari 2025 het Woo-verzoek te honoreren en verstrekte zij de gevraagde documenten op 10 februari 2025. Verzoekster trok haar beroep in, maar diende een verzoek in voor een proceskostenvergoeding vanwege de late beslissing.
Tijdens de zitting op 7 oktober 2025 werden de standpunten van beide partijen uiteengezet. Verzoekster argumenteerde dat zij recht had op een proceskostenvergoeding omdat de gemeente niet tijdig had beslist en onvoldoende had gecommuniceerd, terwijl de gemeente stelde dat verzoekster niet had meegewerkt aan de precisering van haar brede verzoek en dat zij wellicht geen reëel belang had bij het tijdig indienen van het beroep.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank besloot het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te kennen aan verzoekster. Het oordeel was gebaseerd op de volgende overwegingen:
1. **Tijdige beslissing en communicatie:** De gemeente was niet tijdig in haar communicatie en beslissingen, en had verzuimd om het Woo-verzoek binnen de wettelijk gestelde termijn correct te behandelen. Het verzoek om nadere precisering werd te laat en verkeerd geadresseerd verstuurd, waardoor de termijn niet kon worden opgeschort. De rechtbank vond dat de gemeente de verantwoordelijkheid droeg voor de verlate beslissing.
2. **Medewerking van verzoekster:** De rechtbank oordeelde dat verzoekster voldoende had meegewerkt aan de procedure door tijdig te reageren op verzoeken van de gemeente. Er was geen bewijs dat zij dwarslag of dat haar beroep louter was gericht op het vergaren van dwangsommen.
3. **Proceskostenveroordeling:** Volgens artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan in de proceskosten worden veroordeeld als het geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt aan het beroep. Aangezien de gemeente uiteindelijk aan het Woo-verzoek van verzoekster tegemoetkwam, was een proceskostenveroordeling gerechtvaardigd.
4. **Vergoeding van proceskosten en griffierecht:** De rechtbank bepaalde dat de gemeente een bedrag van € 907,- aan proceskosten moest vergoeden aan verzoekster, berekend op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Dit bedrag omvatte de kosten voor het indienen van het beroepschrift en de zitting. Daarnaast moest de gemeente ook het door verzoekster betaalde griffierecht van € 187,- vergoeden.
Het vonnis werd op 4 november 2025 uitgesproken door rechter mr. C.W. Griffioen, met mr. E. van den Nieuwendijk als griffier. Partijen werden geïnformeerd over de mogelijkheid om binnen zes weken hoger beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



