De zaak in het kort
De rechtbank Den Haag heeft een verzoek beoordeeld van een verzoekster om het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk te veroordelen tot betaling van proceskosten. Dit verzoek kwam voort uit een situatie waarin het college niet tijdig reageerde op een Wet open overheid (Woo) verzoek van de verzoekster, wat haar ertoe bracht een beroep in te stellen. Het college kwam pas tegemoet aan het verzoek door een besluit te nemen nadat de beslistermijn was verstreken. Hierdoor trok de verzoekster haar beroep in, maar diende ze wel een verzoek in voor vergoeding van de proceskosten, omdat zij meende dat de late reactie van het college de oorzaak was van het beroep.
Het verloop van het proces en de feiten
Op 3 oktober 2024 diende de verzoekster een Woo-verzoek in bij het college. Dit verzoek betrof alle documenten met betrekking tot VVE-verklaringen (voor- en vroegschoolse educatie) vanaf het meest recente beleidsstuk. Het college verzuimde binnen de wettelijke termijn van vier weken een besluit te nemen, wat verzoekster ertoe bracht op 20 december 2024 beroep in te stellen wegens het uitblijven van een beslissing. Na enige correspondentie en een herhaald verzoek om precisering van het Woo-verzoek, nam het college uiteindelijk op 21 januari 2025 een besluit en verstrekte de gevraagde documenten op 10 februari 2025. Verzoekster trok hierna haar beroep in, maar vroeg om vergoeding van de proceskosten vanwege het tijdsverloop en de extra inspanningen die zij had moeten doen.
Tijdens de zitting op 7 oktober 2025 voerden beide partijen hun standpunten aan. Verzoekster benadrukte dat haar oorspronkelijke verzoek tijdig was ingediend en dat het college verzuimde de beslistermijn te verlengen of haar verzoek tijdig te preciseren. Het college daarentegen stelde dat verzoekster niet voldoende had meegewerkt aan het preciseren van haar brede Woo-verzoek en dat zij steeds op de hoogte was gehouden van de voortgang.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank honoreerde het verzoek van de verzoekster en kende haar een proceskostenvergoeding toe. De rechter oordeelde dat het college inderdaad te laat had gereageerd op het Woo-verzoek en dat het niet tijdig nemen van een besluit niet het gevolg was van de wijze waarop het verzoek was ingediend. De rechtbank stelde vast dat het verzoek van verzoekster via het officiële formulier was ingediend en als zodanig herkenbaar was. Bovendien had het college nagelaten een juiste procedure te volgen, zoals het tijdig en juist adresseren van vragen om precisering.
De rechtbank legde uit dat de proceskostenveroordeling gerechtvaardigd was omdat het college pas na het verstrijken van de beslistermijn effectief actie ondernam. Hoewel het college argumenteerde dat verzoekster had kunnen bijdragen aan het versnellen van het proces door meer specifieke informatie te verstrekken, was er volgens de rechtbank geen bewijs dat verzoekster te kwader trouw was of dat zij enkel uit was op het innen van dwangsomgelden.
De rechtbank bepaalde daarom dat de proceskostenveroordeling toewijsbaar was en dat het college een vergoeding van € 907,- aan de verzoekster moest betalen, berekend op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarnaast was het college verplicht het door verzoekster betaalde griffierecht van € 187,- te vergoeden.
De uitspraak onderstreept het belang voor bestuursorganen om tijdig en adequaat te reageren op Woo-verzoeken, en de verantwoordelijkheid die zij dragen om binnen de wettelijke termijnen te handelen. De rechtbank benadrukte dat in gevallen waar de beslistermijn overschreden wordt zonder dat dit aan de verzoeker te wijten is, een proceskostenveroordeling gerechtvaardigd kan zijn.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




