De zaak in het kort
De zaak betreft een beroep van een vereniging van eigenaren (eiseres) tegen de afwijzing door het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem van een verzoek om handhaving. De vereniging stelde dat hun buurman, de vergunninghouder, in strijd met de omgevingsvergunning en het Bouwbesluit 2012 had gebouwd door een kozijn en een rookgasafvoer te plaatsen. Het college wees het verzoek om handhaving echter af, omdat zij van mening waren dat er geen sprake was van een overtreding. De rechtbank moest beoordelen of deze afwijzing terecht was.
Het verloop van het proces en de feiten
De zaak begon toen de vereniging van eigenaren op 16 mei 2022 een handhavingsverzoek indiende bij het college. De aanleiding was een geschil over een kozijn en een rookgasafvoer die door de buurman in afwijking van de bouwtekeningen bij de omgevingsvergunning waren gerealiseerd. Na een afwijzing van het verzoek op 16 februari 2023 en een daaropvolgend bezwaar dat op 19 september 2023 wederom werd afgewezen, besloot de vereniging in beroep te gaan. De zaak werd op 22 juli 2025 door de rechtbank behandeld.
De vereniging betoogde dat het raam en de rookgasafvoer in strijd waren met de omgevingsvergunning en het Bouwbesluit 2012. Ze voerden aan dat het raam niet voldeed aan de brandwerendheidseisen en dat de rookgasafvoer te dicht bij hun perceel was geplaatst. Bovendien was er onenigheid over de bevoegdheid van de heer [naam 1] om namens de vereniging te procederen. Het college stelde daarentegen dat de wijzigingen vergunningvrij waren en dat er geen overtredingen waren van het Bouwbesluit 2012.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank besliste dat het college terecht had aangenomen dat er geen sprake was van een overtreding van het Bouwbesluit 2012. Het kozijn en de rookgasafvoer waren vergunningvrij, omdat ze geen veranderingen aanbrachten in de draagconstructie of brandcompartimentering en het bouwvolume niet vergrootten. Bovendien voldeed het raam aan de brandwerendheidseisen, zoals vastgesteld door een controle uitgevoerd door een toezichthouder en een medewerker van de brandweer.
De rechtbank oordeelde dat het relativiteitsvereiste in deze zaak geen rol speelde, aangezien de brandwerendheidseisen van het Bouwbesluit 2012 bedoeld zijn om de veiligheid van zowel de bewoners als omwonenden te beschermen. Daarom had de vereniging belang bij de naleving van deze regels. Echter, de rechtbank vond dat er geen overtreding was, omdat het raam voldoende brandwerend was.
Wat betreft de rookgasafvoer stelde de rechtbank vast dat het college het besluit onzorgvuldig had voorbereid en onvoldoende had gemotiveerd waarom de rookgasafvoer niet in strijd was met het Bouwbesluit 2012. Desondanks kon dit gebrek worden gepasseerd op basis van artikel 6:22 van de Awb, omdat de afvoer voldeed aan de vereiste afstand tot de perceelsgrens, zoals bepaald in artikel 3.51, derde lid van het Bouwbesluit 2012.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar kende wel een vergoeding van het griffierecht toe aan de vereniging, omdat het college het besluit beter had moeten motiveren. Er waren geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking kwamen.
In conclusie, de beslissing van de rechtbank bevestigt dat het college terecht heeft geweigerd handhavend op te treden, aangezien er geen overtreding van de bouwregels was. Echter, het college moet het griffierecht van de eiseres vergoeden vanwege de gebrekkige motivering van hun besluit.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




